Des dichters bloeme; Een keuze uit Maerlant

Maerlants werk: Juweeltjes van zijn hand. Met inleidingen en vertalingen door Ingrid Biesheuvel. Ambo/Amsterdam University Press (Delta-reeks), 597 blz. ƒ 69,50 (geb).

Twee jaar geleden verscheen Maerlants wereld van Frits van Oostrom. Van deze bekroonde studie zijn inmiddels bijna vijftigduizend exemplaren verkocht. Dat is een duidelijke herwaardering van de Middelnederlandse literatuurgeschiedenis. Maar betekent dit ook dat het dertiende-eeuwse werk van Jacob van Maerlant zelf weer lezers trekt, of zou moeten trekken?

In Maerlants wereld werd de dichter zelf beperkt geciteerd. Het ging Van Oostrom vooral om een literair-historische plaatsbepaling van de 'vader der Dietse dichteren algader'. Uit Maerlants pen vloeiden de eerste Nederlandse volkstaalversies van klassieke heldensagen (zoals het leven van Alexander de Grote), heiligenlegenden (van Sint Franciscus en de heilige Clara), ridderverhalen (over onder meer de Graal), encyclopedische werken (over de natuur, dromen en edelstenen), een complete berijming van de Bijbel en een wereldgeschiedenis. Deze dichtwerken waren niet alleen het begin van de Nederlandstalige letterkunde; ze zouden die letterkunde nog eeuwenlang beïnvloeden.

Floris V

Het accent in Van Oostroms studie lag echter niet op de literaire aspecten. Hij beschreef vooral de maatschappelijke achtergronden van Maerlants oeuvre. Bij zijn rijmwerk richtte de dichter zich immers steevast op de aristocratische kringen rondom graaf Floris V. Zijn vroegste werken zijn waarschijnlijk al speciaal voor de jonge graaf geschreven. Alexanders geesten (kort vóór 1260), de Historie van den Grale (ca. 1261) en Torec (ca. 1262) beschrijven elk de geschiedenis van een jong koningskind op weg naar roem en eer. Deze heldenverhalen zullen Floris V als aankomend landsheer zeker hebben aangesproken. Van de in 1266 voltooide Heimelijkheid der heimelijkheden, een vorstenspiegel met adviezen over de kunst van het regeren, wordt algmeen aangenomen dat die bij de regeringsaanvaarding van de toen twaalfjarige Floris is geschreven. En zijn laatste dichtwerk, Spiegel Historiael (ca. 1285), droeg Maerlant letterlijk op aan 'grave Florens, coninc Willems sone'.

In haar inleiding tot Maerlants werk vat Ingrid Biesheuvel in kort bestek deze en andere biografische apecten van Maerlants werken samen. In de overige vijfhonderdvijftig pagina's laat ze de dichter zelf aan het woord. Voor het complete oeuvre (zo'n 230.000 verzen) is dat onvoldoende, maar Maerlants werk is dan ook een bloemlezing. Slechts een van zijn strofische gedichten, Wapene Martijn, en de tijdklacht Van den lande van oversee zijn volledig opgenomen. Is de moderne lezer gediend met zo'n bloemlezing? Was het niet beter geweest één van Maerlants grote dichtwerken (Alexanders geesten bij voorbeeld) in het geheel, met een helder commentaar uit te geven?

Maerlants werk is prestigieus opgezet. Het boek verscheen als een der eerste delen van de Deltareeks, een serie die de belangrijkste werken uit de oudere Nederlandse letterkunde permanent beschikbaar wil stellen. De verantwoordelijkheid voor de tekstkeuze en de kwaliteit van de uitgaven ligt bij de Stichting Nederlandse Literaire Klassieken; het Nederlands Literair Produktie- en Vertalingenfonds subsidieert de uitgevers. De serie is dan ook een serieuze concurrent van de Nederlandse Klassieken van uitgeverij Prometheus en de Griffioen-pockets van Querido - te meer omdat ook de Deltareeks zich richt op een algemeen publiek. Net zoals de Griffioen-bloemlezing uit Maerlants natuurencyclopedie Der naturen bloeme (ca. 1270) biedt Maerlants werk dan ook een moderne bewerking van zijn teksten. Met als belangrijk verschil dat de prozabewerking hier simultaan met de oorspronkelijke dichtregels wordt gepresenteerd.

Wie moeite heeft met het Middelnederlands vindt voldoende soelaas bij de vertalingen van Ingrid Biesheuvel. En vooral ook bij haar wat droog geschreven, maar liefdevolle inleidingen. Het bezwaar dat Maerlants dichtwerk of een deel daarvan hier niet volledig wordt gepresenteerd valt in het niet bij de zorgvuldige presentatie. Maerlants werk is een fascinerende staalkaart, die als eerste of nadere kennismaking ruimschoots voldoet. Lezers die het volle pond willen, vinden dat in de wetenschappelijke edities van Maerlants afzonderlijke werken. Ze moeten dan wel naar een bibliotheek of het antiquariaat, want veel van die academische uitgaven dateren van vóór 1920. Ingrid Biesheuvel geeft zelf overigens geen uitgebreide literatuurlijst; ze verwijst daarvoor naar Maerlants wereld van haar leermeester Van Oostrom.

Een paar van zijn kortere gedichten daargelaten, schreef Maerlant geen werk van eigen hand. Hij bewerkte in het Latijn of Frans geschreven bronteksten, zoals de Aeneis van Vergilius, een prozabewerking van Joseph d'Arimathie van Robert de Boron, en De natura rerum van Thomas van Cantimpré. In Maerlants versie werden dit achtereenvolgens Historie van Troyen, Historie van den Grale en Der naturen bloeme. Dat er betrekkelijk veel van zijn werk is overgebleven getuigt van zijn uitgebreide reputatie. Voor zover bekend zijn slechts zijn informatieve dichtwerken over dromen en edelstenen, Sompniarys en Lapidarys, en zijn Leven van de heilige Clara verloren gegaan. De schrijver moet een geleerde opvoeding hebben genoten; hij kende immers Frans en Latijn. Zijn grootste verdienste is dat hij die kennis heeft aangewend om zijn omgeving - tot circa 1266 vanaf Voorne en daarna vanuit Damme - letterlijk diets te maken wat de wereld te bieden had, en vooral ook hoe men daarmee om moest gaan. Dit didactische element is al aanwijsbaar in zijn vroegste, wel 'ridderlijk-romantisch' genoemde werk, maar werd toonbepalend in zijn leerdichten - waarvan Heimelijkheid der heimelijkheden de oudst bewaarde is.

Didacticus

In de literatuurgeschiedenis werd Maerlant lange tijd uitsluitend beschouwd als de didacticus wiens werk, aldus Knuvelder in de jaren zestig, te typeren is 'als een samenvatting van oud en nieuw'. In die visie verdient zijn oeuvre niet om de schoonheidswaarde serieuze aandacht, maar wegens het voor de dertiende eeuw vernieuwende, dus literair-historische belang. Ook in Ingrid Biesheuvels commentaar heerst deze overtuiging. Pas op de laatste pagina's van Maerlants werk toont zij openlijk esthetische waardering. Het betreft dan Van den lande van oversee, Maerlants klaaglied over de val van Akko, het laatste bolwerk van het christendom in het oosten. De openingsregels al tonen zijn verontwaardiging over de laksheid van de westerse christenen, en onder hen vooral de 'lantsheren' en 'baroenen':

Kersten man, wats di ghesciet?

Slaepstu? Hoe ne dienstu niet

Jhesum Christum dinen Here?

'Bij dergelijke poëzie', schrijft Ingrid Biesheuvel in haar inleiding, 'blijkt hoe gebrekkig een vertaling de gedachte soms kan weergeven. Het loont hier eens te meer de moeite het Middelnederlands te lezen, misschien zelfs wel hardop. Pas dan proeft men iets van de gedrevenheid, de woede en de zuivere emoties die de pen van de dichter gestuurd moeten hebben. (...) Hier greep een dichter naar de pen om een brandende oproep te doen aan een ieder die oren had om te horen.'

Maerlant wist hoe hij zijn gehoor moest aanspreken. Het zo simpel mogelijke, gepaarde rijm helpt lezers, voordragers en toehoorders de tekst onthouden. En als woorden uit een ander dialect dan die van het gehoor het rijm bespoedigen, dan speelt Maerlant leentjebuur bij een andere tongval, of zelfs taal. 'Men moet,' aldus de dichter in Sinte Franciscus leven, 'om de rime souken / Misselike tonghe in bouken (...) / Om vray thoudene rijm ende zin'. Ook veelvuldige herhaling komt het beklijven van de tekst ten goede. Maar Maerlant kent op dit terrein de grenzen. Waar in de Latijnse brontekst van Heimelijkheid der heimelijkheden te vaak het woord 'generare' (voortbrengen) is gebruikt, hanteert hij bewust steeds andere bewoordingen. En over de bron van zijn Rijmbijbel, de Historia Scolastica, meldt Maerlant in de proloog dat hij die wil 'ontbinden', dat wil zeggen toegankelijk maken. Dat doet hij door uiterst kien te selecteren en doseren, waarna zijn publiek een tekst op maat krijgt geleverd. Dat bepaalt wellicht de waarde van deze bloemlezing. Maerlants werk biedt, dankzij de trefzekere selectie en het vakkundige commentaar van Ingrid Biesheuvel, niet slechts een blik op het werk, maar ook op de schrijftafel van een vaardig dichtende meesterverteller.