Derde bundel van Richard Rorty; Toch ontsnapt uit Circus Plato

Richard Rorty: Truth and Progress. Philosophical papers III. Cambridge University Press, 355 blz. ƒ 61,35

Filosofen zijn mensen die vooral veel moeten afleren, vindt Richard Rorty. Ze moeten af van de misvatting dat waarheid ontdekt wordt en niet gemaakt; van de notie dat zij iets Dieps weten over de wereld dat andere mensen niet weten; van het idee dat taal een medium is dat de wereld afbeeldt of de menselijke natuur uitdrukt; van het waandenkbeeld dat onrecht is te verhelpen met een Theorie; van het idee dat de geschiedenis van hun eigen vak te vangen is in canons; en tenslotte van de illusie dat er een wezenlijk verschil is tussen filosofie en literatuur.

Dat betekent niet dat abrupt met de huidige filosofie moet worden gebroken. Het vak moet eerder 'geleidelijk van onderwerp veranderen'. Rorty is in 1998 een ontspannen pre-millennarist. Als ze van hun misvattingen zijn verlost, kunnen filosofen zich ook in de volgende eeuw nog best nuttig maken met verstandige bijdragen aan de 'conversatie der mensheid'. We zouden er daarbij alleen goed aan doen om ons doel niet te bepalen als het zoeken naar waarheid, maar als het oplossen van concrete of dringende problemen.

Als filosoof heeft Rorty zijn eigen adviezen serieus genomen. Hij is uit de 'ingestorte circus-tent' gekropen, heeft het stof van zijn schouders geklopt en zich ontwikkeld tot meta-filosoof, politiek essayist en, in zijn vrije tijd, adviseur van Bill Clinton. Deze filosoof is dus al 'van gesprek veranderd'. In artikelen en vraaggesprekken klaagt de liberal Rorty de laatste tijd vooral dat links eens moet ophouden met grote theorieën over Het Kapitalisme of 'het systeem', en de handen uit de mouwen moet steken, zoals hij. Een opvolger van zijn hoofdwerk zal er dus wel niet meer komen.

Verfrissend oneerbiedig

Voor wie dat betreurt, is er nu het derde deel van zijn 'philosophical papers', Truth and Progress, dit keer gerangschikt rond de thema's waarheid en morele vooruitgang. De bundel heeft alle ingrediënten die het lezen van Rorty een verademing en een provocatie tegelijk maken. Zijn stijl is glashelder, zijn argumentaties zijn subtiel, en zijn laconiek-Amerikaanse humor is bij vlagen verfrissend oneerbiedig. Derrida en Augustinus zijn 'twee jongens uit Noord-Afrika die het hebben gemaakt in Europa'. Freud beschouwde mensen als 'kneedbaar protoplasma (zijn) dat in model wordt gemept door moeders en andere omstandigheden'. En Nietzsche was 'een prikkelbare, besluiteloze, nomadische nerd die nooit een leven kreeg buiten de literatuur'.

Rorty (1931) vestigde wereldwijd zijn academische reputatie met Philosophy and the Mirror of Nature (1979), een vlijmscherpe ondermijning van de klassieke vraag hoe gefundeerde kennis van de werkelijkheid mogelijk is.

Dankzij het werk van Wittgenstein, Heidegger, Kuhn, Quine en vele anderen kunnen we het essentialisme en het ideaal van objectieve kennis dat het Westen sinds Plato heeft beheerst, eindelijk laten varen. Er is geen manier om de wereld te beschrijven zoals die 'echt is', dat wil zeggen: onafhankelijk van onze beschrijvingen. Het enige dat ons ter beschikking staat - maar dat is ook voldoende - zijn uitspraken, te beoordelen naar hun nut voor ons. Waarheid is 'een schouderklopje voor een uitspraak', het liefst door zoveel mogelijk mensen. Het ideaal van objectiviteit moet in deze pragmatische visie plaatsmaken voor dat van intersubjectieve overeenstemming binnen een historische gemeenschap.

Buiten de universiteit maakte Rorty naam met essays over filosofie, politiek en intellectuele geschiedenis. Met zijn eigenzinnige commentaren op Heidegger en Derrida heeft Rorty bovendien een brug helpen slaan tussen prominente denkers uit de continentale filosofie en de analytische school die in de angelsaksische wereld dominant is. Het zal nog lang duren voor zijn analytische vakbroeders hem op dat punt hebben ingehaald.

Zijn pragmatisme over waarheid en kennis maakt Rorty een vertolker van het postmoderne levensgevoel, al is hij zelf ongemakkelijk en zelfs 'nerveus' over dat etiket. Het riekt hem teveel naar de zwartgallige cultuurkritiek van intellectuelen die liever met Foucault en Baudrillard een videoclip van Madonna 'deconstrueren' dan zich inzetten voor het politieke handwerk. Want het filosofische project van de Verlichting mag dan achterhaald zijn, de politieke kant van dat project - het streven naar een wereldwijd utopia - is volgens Rorty nog steeds het beste dat wij postmoderne Westerlingen hebben. Zolang we van de twintigste eeuw maar leren dat dit utopia bij stukjes en beetjes moet worden gerealiseerd en niet via short-cuts als die van communisme en fascisme.

Het spannende, en sympathieke, van Rorty's werk is zijn poging de kritiek op het rationalisme van de Verlichting, inclusief die van radicale denkers als Heidegger, te combineren met trouw aan haar idealen. Rorty hoopt de humanistische, anti-autoritaire traditie van de Verlichting voort te zetten door na 'God' nu ook de metafysische noties van 'Waarheid', 'Rede' en 'Natuur' te seculariseren, dat wil zeggen: te beschouwen als historisch gegroeide, menselijke constructies die tegemoetkomen aan onze behoeftes.

Hij verwijst daarbij graag naar het darwinisme, dat met zijn opvatting van evolutie als een niet-doelgerichte, 'toevallige' interactie tussen organisme en omgeving goed past bij zijn pragmatisme.

Protest

Rorty's radicale historisme en nominalisme hebben in de loop der jaren een storm van protest opgeroepen. Talloze collega-filosofen hebben hem beschuldigd van relativisme en een kwalijk soort postmodernisme, dat de basis onder objectieve kennis en publieke moraal zou wegslaan. Postmoderne critici op hun beurt ergeren zich aan Rorty's politieke opvattingen en zijn scheiding van een privé-sfeer (waarin het lezen van Heidegger een belangrijke bijdrage kan leveren aan het levensgeluk) en een publieke sfeer (waarin Heidegger vooral niet in praktijk moet worden gebracht).

Bij orthodoxe marxisten heeft zijn etnocentrische profielschets van de ironische liberal zelfs onverholen walging opgewekt. Die is trouwens wederzijds. Zij zien in Rorty een chauvinist die de wereld de American way of life voorhoudt. Hij beschouwt op zijn beurt hun geloof dat publieke en particuliere perfectie moeten samenvallen na ophefing van de 'vervreemding', en hun pretentie dat zij de mensheid iets dieps kunnen leren over de Mars van de Wereldgeschiedenis, als restanten van een dogmatische metafysica.

Sporen van al deze controverses zijn terug te vinden in Truth and Progress. In het eerste deel verweert Rorty zich in soms vrij technische artikelen over individuele filosofen onder meer tegen het verwijt van relativisme. Hij verwerpt dat etiket alleen al omdat het stamt uit de oude epistemologie, de 'ingestorte circus-tent' waaruit hij nu juist is ontsnapt terwijl zijn collega's nog 'doelloos rondspartelen onder hectares canvas'. De standaard-kritiek op de relativist (dat hij zichzelf tegenspreekt door de waarheid te verkondigen van de uitspraak dat er geen waarheid is) treft Rorty niet. Hij vindt theorieën over waarheid helemaal niet interessant, ook niet die van 'het relativisme'. Al in het eerste deel van zijn 'philosophical papers' (1991) verwierp hij het relativisme ten faveure van een etnocentrische positie: de uitspraak dat iets waar is wordt binnen een menselijke gemeenschap altijd getoetst aan onze criteria, de enige die we hebben. Het debat over een waarheid 'ergens daarbuiten', hoopt Rorty, zal voor onze nazaten even triviaal zijn als het besef van een hel voor de hedendaagse rechtspraak.

In het tweede deel van Truth and Progress licht Rorty de opvatting van morele vooruitgang toe die hij presenteerde in Contingency, Irony and Solidarity (1989). Het politieke Verlichtings-project moet worden voortgezet, met als doel het verminderen van nodeloos menselijk leed. Niet omdat dit doel in de sterren geschreven zou staan, maar omdat wij het waardevol vinden. Een liberaal utopia is niet rationeler dan een fascistische staat, alleen minder wreed - en daarom begeerlijk voor ons liberals, die het vermogen tot het ondervinden van pijn en vernedering zien als belangrijkste onderscheid tussen mensen en andere dieren.

Er is volgens Rorty met andere woorden geen 'supervocabulaire' waarmee liberalisme, fascisme en andere overtuigingen op hun objectieve merites kunnen worden beoordeeld. Fanatici als Osama bin Laden en zijn aanhang zijn niet met argumenten te overtuigen van de morele waarden van het Westen. We kunnen alleen maar hopen dat ze er zich ooit nog eens toe bekeren, als ze een beetje meer welvarend en relaxed zijn.

In een lucide essay over 'Human Rights' herhaalt Rorty zijn standpunt dat een mondiaal utopia niet dichterbij wordt gebracht door het ontdekken van 'goede' morele kennis, maar door het vergroten van ons sentiment, ons vermogen ons in anderen in te leven. Serviërs slachten geen moslims af omdat ze Kants categorische imperatief nog niet kennen. De remedie tegen zulke wreedheid is dan ook geen college ethiek, maar het vergroten van veiligheid en welvaart en het lezen van 'droevige, sentimentele verhalen' - zoals Uncle Tom's Cabin in Amerika de slavernij onfatsoenlijk hielp maken.

Afkicken

Die nuchtere, sociaal-democratische benadering maakt Rorty zo langzamerhand tot de Jan Schaefer van het postmodernisme. In zijn recente werk krijgt hij, vooral in zijn geïrriteerde kritiek op 'academisch links', iets verveelds en drammerigs. In Achieving our Country, zijn eerder dit jaar verschenen pleidooi voor een hernieuwd vakbonds-patriottisme (Boeken, 1 mei) riep hij ronduit op tot een 'moratorium op theorievorming', om links te laten 'afkicken' van haar verslaving aan filosofie. Een opmerkelijk advies van een filosoof. Ook in Truth and Progress sneert hij naar linkse academici die van het kapitalisme een 'Groot Boos Ding' maken en denken dat ze de samenleving verder helpen 'door de ouders van hun studenten bang te maken'.

Dat betekent overigens niet dat Rorty zich schaart in het koor van conservatieve huilebalken over politieke correctheid. Hij ziet daarin nog steeds een belangrijke stap in het terugdringen van wreedheid en sadisme. Maar door zich te fixeren op 'culturele politiek' heeft links tot haar eigen schade de 'echte politiek' verwaarloosd. In Achieving our Country schetst Rorty een fascistoïde scenario voor Amerika waarin, mede door plichtsverzaking van links, een sterke man de kans krijgt. Om dat te voorkomen moet links haar hyper-theoretische benadering van de samenleving opgeven en haar politieke jargon 'banaliseren'. Rorty zelf geeft het goede voorbeeld, met zijn adviseurschap voor Clinton - al kun je je na de affaire-Lewinsky afvragen of Clinton de public-private split niet wat heeft overdreven.

Verademing

Richard Rorty lezen blijft een verademing, zeker voor Nederlanders die zijn opgegroeid in een theologisch aangestuurde filosofische traditie. Maar de gaten en kieren in zijn pragmatisme blijven tochten, ook na Truth and Progress. Wat moeten filosofen bijvoorbeeld aan met het advies om 'het zoeken naar waarheid' als leidraad voor hun werk te droppen? En wat zou het, om een pragmatisch criterium te gebruiken, voor verschil maken als ze dat deden?

Ook Rorty's vaak aangevochten public-private split blijft problematisch. Hij gebruikt dat onderscheid soms al te makkelijk om het beste van twee werelden te krijgen. Rorty wil persoonlijke ironie cultiveren maar óók maatschappelijke hoop kweken. Wèl Heidegger lezen, maar er geen nazi van worden; wèl liberalism verdedigen, maar er geen fundament voor aandragen.

Als de twijfel begint te knagen of dit wel zo'n comfortabel standpunt is als Rorty suggereert - kun je Heidegger bijvoorbeeld 'privé' lezen en schouderophalend voorbijgaan aan zijn publieke pretenties? - staat altijd de pragmatische nooduitgang open: waarom zouden we het op zijn minst niet eens zo proberen?

Dat is een behartenswaardig advies. Maar soms wekt blijven spartelen onder het canvas toch meer bewondering.