De nationale boekentuin; Tweehonderd jaar Koninklijke Bibliotheek

Dit jaar bestaat de Koninklijke Bibliotheek tweehonderd jaar. In de Nieuwe Kerk te Amsterdam is daarom een tentoonstelling ingericht waar inventief een selectie uit het rijke boekenbezit wordt gepresenteerd. Tegelijkertijd verscheen een historische studie over de 200 jaar KB.

P.W. Klein en M.A.W. Klein-Meijer: De wereld van de Koninklijke Bibliotheek, 1798-1998. Van statelijke institutie tot culturele onderneming. G.A. van Oorschot, 468 blz. ƒ 75,-

Marieke van Delft (red.): Verzamelaars en verzamelingen. Koninklijke Bibliotheek 1798-1998. Waanders, 232 blz. ƒ 65,- (geb.)/ƒ 49,50 (pbk).

De tentoonstelling 'Het Wonderbaarlijke Alfabet', in de Nieuwe Kerk te Amsterdam duurt tot en met 18 oktober.

Het boek is het enige huisdier dat niet gevoerd hoeft te worden. Integendeel het boek voedt de mens. Met kennis, met fantasieën, met onzin. Daar staan wel verplichtingen tegenover. De mens moet het boek een goed onderkomen bieden, het vrijwaren van stof, vocht en temperatuurwisselingen en het af en toe voorzien van een nieuwe huid. Zo nu en dan moet men het boek zelfs aaien. Zo bezien heeft elk huishouden zijn eigen boekenhok, elke instelling zijn eigen boekenkooi, elke universiteit zijn boekenkamp en elke staat een nationale boekentuin. In Nederland is dat de Koninklijke Bibliotheek. Daar wonen 2,2 miljoen exemplaren. Niet soort bij soort, maar door elkaar, al zal de bezoeker dat nooit merken, omdat hij altijd maar een handjevol exemplaren tegelijk onder ogen krijgt.

Tweehonderd jaar geleden, op 8 november 1798, nam de Tweede Kamer van het Verteegenwoordigend Lichaam des Bataafschen Volks het besluit de verzameling van de drie jaar tevoren gevluchte stadhouder Willem V te nationaliseren en er een 'Nationale Bibliotheek' van te maken. Het ging om zo'n zesduizend titels. In vergelijking met wat sommige particulieren in die tijd bezaten was het niet heel veel, maar er zaten wel bijzondere boeken en handschriften tussen, voorzover de Franse bevrijders die tenminste nog niet geroofd hadden. De bibliotheek vond samen met een paar kleinere collecties onderdak in het Buitenhof, later enige tijd in het Mauritshuis en nog later in een statig pand aan het Lange Voorhout. Pas in 1982 kreeg de 'nationale bibliotheek van Nederland' een nieuw onderkomen in een groot complex naast het Centraal Station van Den Haag waar onder andere ook het Algemeen Rijksarchief deel van uitmaakt.

Drijvende krachten

Die beslissing in 1798 wordt dit jaar op onbekrompen wijze gevierd. Zo kregen de historicus P.W. Klein en zijn vrouw M.A.W. Klein opdracht tot het schrijven van een boek over het verleden van de bibliotheek. Het is een zorgvuldig, klassiek uitgegeven studie geworden met een zeer leesbaar overzicht van tweehonderd jaar geschiedenis. Niet alleen van de KB zelf, maar juist ook van de context waarin de bibliotheek zich ontwikkeld heeft. De wereld van de Koninklijke Bibliotheek heeft een chronologische hoofdlijn, opgedeeld in zeven periodes waarin telkens drie niveaus aanwezig zijn: de internationale en nationale maatschappelijke en culturele achtergronden, de ontwikkelingen in het internationale bibliotheekwezen en de veranderingen die de KB ten gevolge van die ontwikkelingen heeft ondergaan. Die worden dan weer toegespitst op thema's als doel van de bibliotheek, verzamelbeleid en catalogisering.

Het beleid van de Koninklijke Bibliotheek wordt formeel weliswaar door de politiek bepaald, maar in de praktijk is het toch steeds de bibliothecaris die de drijvende kracht is. Dat zijn er in die twee eeuwen niet eens zoveel geweest, een stuk of zes, maar wel allen mannen met een eigenzinnige taakopvatting en dat levert in dit boek fraaie minibiografieën op.

Nederland kende vanaf de zeventiende eeuw al een rijke traditie van particuliere, burgerlijke boekenverzamelaars. Op institutioneel niveau bestonden er stedelijke boekerijen en universiteitsbibliotheken, maar erg groot en belangrijk waren die laatste niet. Een Nederlandse nationale bibliotheek was 200 jaar geleden dan ook een novum. Toch ontbrak het revolutionaire vuur bij de eerste bibliothecaris Meerman. In de eerste decennia was de KB een bibliotheek gericht op het bewaren van boeken en veel bezoekers kwamen er niet. Het was in hoge mate een toevalsbibliotheek, afhankelijk van schenkingen en legaten, een karakter dat zij overigens nooit helemaal verloren heeft.

Pas halverwege de vorige eeuw kwam er beweging in de zaak. Men kreeg oog voor de noodzaak van een betere toegankelijkheid door systematische catalogisering, en er ontstond een duidelijker idee over de collectievorming en het publieke doel van de instelling. De bibliotheek groeide in deze periode snel omdat de boekproductie toenam. Zoals overal had dat twee gevolgen: ruimtegebrek en problemen met de catalogisering. De volksbibliotheken van verschillende zuilen en de universitaire vakbibliotheken die in deze jaren werden opgericht, liepen ook tegen deze problemen op.

De KB onderscheidde zich in de negentiende eeuw noch in behoudzucht noch in vernieuwingsdrift van andere nationale bibliotheken. Pas met de benoeming in 1895 van de als megalomaan gekenschetste bibliothecaris W.G.C. Byvanck werd er 'een steen in de stille vijver' geworpen. Tijdens zijn bibliothecarisschap, dat tot 1921 duurde, heeft deze dynamische, veel publicerende en ambitieuze man talloze vernieuwingen aangebracht. Er werd een moderne leeszaal gebouwd, die ook 's avonds open was, en omdat het aantal bezoekers en het aantal boeken toenam werd het budget verhoogd en het personeel uitgebreid. Byvanck probeerde ook de KB een eigen identiteit te geven, dat wil zeggen een eigen taakomschrijving, die tot dan toe vrij diffuus was. Zo liet hij vastleggen dat de KB zich vooral op de geesteswetenschappen moest toeleggen. Ook de collectie handschriften kreeg bewust een zwaarder accent. Andere projecten mislukten, zoals zijn inspanningen om een museum aan de bibliotheek te verbinden en de opzet van een allesomvattend documentatiesysteem. Ook Byvancks opvolgers Molhuysen, Brummel en Reedijk waren elk op hun eigen wijze erudiete daadkrachtige organisatoren, geen managers in de hedendaagse zin van het woord, maar 'professionele vakgeleerden'. Dat zou veranderen.

Schaalvergroting

Vanaf de jaren zestig van deze eeuw trad op alle terreinen schaalvergroting op, meer boeken, meer personeel, meer inspraak, meer aanvragen, meer bezoekers en daardoor meer bureaucratie; langzaam maar zeker dringt bovendien ook in deze humaniorawereld de noodzaak van automatisering door. Dat verschijnsel duikt vanaf de jaren zeventig op, met een schier eindeloze reeks commissies, adviesorganen, vergaderingen, rapporten, alle met omineuze namen als COWI, NOBIN, CWOTI, NAIN, CAVUB EN RAP, die alle weer in lades verdwenen, opgeheven werden of bij verschijning alweer waren achterhaald. In 1982 werd de nieuwe behuizing geopend. Maar de problemen waren nog lang niet voorbij. De nieuwe tijden vereisten een ander soort leidinggeven. In die zin kan de KB model staan voor andere culturele instellingen als musea, archieven en ook universiteiten, waar de spanning tussen het vakmatig-inhoudelijke enerzijds en het zakelijk en in toenemende mate technologische management anderzijds tot grote en desastreuze ontwikkelingen kan leiden.

Die omslag naar een meer bedrijfsmatige leiding is ook hier niet zonder schokken verlopen. In 1988 ontstond een crisis die een zwaar stempel drukt op het één na laatste hoofdstuk van het boek. De twee bibliothecarissen, die samen de dagelijkse leiding hadden werden op non-actief gesteld. De auteurs gaan hier gedetailleerd op in. Op scherpe wijze wordt het conflict ontleed. Het had niet alleen te maken met 'incompatabilité d'humeur' maar ook met uiteenlopende opvattingen over de wijze van leidinggeven en over de beste wijze van automatiseren.

De mild-ironische benadering waarmee de eerste 190 jaar van de KB beschreven zijn slaat hier om in een ongemeen felle toon; de in het Ten Geleide geformuleerde doelstelling om 'onpersoonlijke processen, patronen en structuren te belichten' lijkt hier even vergeten. In hoeverre deze onverkwikkelijke ontwikkelingen zo gedetailleerd opgeschreven moesten worden is de vraag. Komt het omdat P.W. Klein als professioneel bedrijfshistoricus een dergelijk proces zo interessant vindt, of omdat hij in dezelfde periode actief was op talloze bestuurlijke plaatsen in de wetenschappelijke wereld en al deze problemen zelf van nabij heeft meegemaakt? Of hebben de auteurs een staaltje instituutscultuur willen beschrijven dat vooruitloopt op het volgende deel van Voskuils Het Bureau?

Vrolijk

De twee laatste hoofdstukken over de bestuurscrisis en de problemen met de automatisering stemmen niet vrolijk. Bovendien wordt ook waarschuwend verwezen naar de niet altijd stabiele positie van de KB tussen andere culturele instellingen waarbij de marktwerking een grote rol speelt. Toch eindigt het boek positief. Dat hoort natuurlijk bij een herdenkingsboek, maar het lijkt mij ook terecht. Na de verbouwing van de laatste jaren, de vele verbeterde publieksvoorzieningen, de aankopen, schenkingen en de tentoonstellingen en met dit jubileum dat ook op een groter publiek is gericht kan de KB met vertrouwen de volgende eeuw ingaan.

De KB is met zijn 2,2 miljoen boeken zeker niet de grootste bibliotheek van Nederland en voor talloze vakgebieden ook niet de belangrijkste. Juist door de relatief toevallige collectieverrijking is het een hybride bibliotheek met uitzonderlijke collecties. De handschriften, incunabelen en oude Nederlandse drukken zijn befaamd. Er zijn deelverzamelingen die tot de grootste ter wereld behoren zoals over cricket en schaak, kinderboeken, parapsychologie, alba amicorum. Op het terrein van de geesteswetenschappen is de bibliotheek van eminent belang en bovendien vervult ze de rol van nationaal depot (overigens pas wettelijk sinds 1982). Van alles wat in Nederland verschijnt moet een exemplaar naar de KB. De KB beschikt bovendien over grote expertise op het gebied van conservering en restauratie. De KB is ook medebeheerder van de Nederlandse Centrale catalogus waarop 400 bibliotheken zijn aangesloten.

De wereld van de Koninklijke Bibliotheek is niet zozeer een boek- of bibliotheekgeschiedenis. Het geeft geen overzicht van de inhoud van de Koninklijke Bibliotheek, maar eerder van de organisatie, van doel en middelen. De auteurs verschuiven, zoals gezegd, het perspectief steeds van het algemene, internationale, naar het Nederlandse bijzondere. Zij hebben een wetenschappelijk werk voor ogen gehad waarbij voorrang gegeven werd aan 'een impressionistisch-essayistische aanpak'. Hier en daar is het verschil tussen die algemenere hoofdstukken en het detailwerk misschien wat groot en in plaats van een selectie boekomslagen als illustraties hadden mij foto's en reproducties die meer aansluiten bij de tekst zinniger geleken. Bijvoorbeeld portretten van de hoofdfiguranten, opnames van de verschillende behuizingen, zowel van binnen als van buiten en titelpagina's van catalogi of andere documenten.

Over boeken staat niet zo veel in het herdenkingsboek. Daarvoor moet men bij het tweede jubileumboek zijn, Verzamelaars en verzamelingen. Dit geeft een buitengewoon aardig inzicht in de verzamelzucht van boekenliefhebbers van wie op de een of andere manier de collectie of een deel ervan in de KB terecht is gekomen. Het inleidende hoofdstuk is gewijd aan de oude kern van de bibliotheek, die bestaat uit de boekerij van stadhouder Willem V. Met behulp van inventarislijsten is ook de indeling gereconstrueerd van de oude stadhouderlijke bibliotheek.

Het boek behandelt types verzamelaars, onder noemers gebracht als 'regenten en politici', 'geleerden en liefhebbers', 'letterkundigen en kunstenaars', 'zakenlieden en instellingen'. Zo maken we kennis met een reeks van vijftig bankiers, burgemeesters en boekhandelaars en schrijvers. Allen gefortuneerde vertegenwoordigers van de gegoede burgerij, allen bezeten van één type boek, van Hegelliteratuur tot valkerij, van muziekboeken tot kunstenaarsbrieven van theologie tot cricket, bridge en schaak. Geschonken, gelegateerd, aangekocht en eenmaal zelfs geconfisqueerd (van een geliquideerde NSB-burgemeester). Sommige namen van mensen die boeken, brieven of een persoonlijk archief hebben nagelaten zijn bekend zoals Willem Kloos, Willem Witsen, Henriette en R.N. Roland Holst, anderen kent men door hun bibliografisch werk (D.F. Scheurleer, bibliograaf van Nederlandse liedboeken) en weer anderen zijn bekend door hun collectie zoals F.G. Waller (Nederlandse volksboeken), en H. Voorn (papier).

Toeval

Wie dit boek gelezen heeft kan zich voorstellen hoezeer het toeval een rol heeft gespeeld bij de uitbreiding van de KB. Een schenking hier, een legaat daar, een aan de grond geraakte verzamelaar, een verrassende vondst in een inboedel. De KB bevat dan ook de meest wonderlijke collecties. Dat komt ook goed uit op de grote tentoonstelling die vorige week in de Nieuwe Kerk in Amsterdam is geopend, Het Wonderlijke Alfabet. In het centrum van de tentoonstelling staat een enorme negen meter hoge en 40 meter lange boekenkast waar met audiovisuele middelen de taken van de bibliotheek worden uiteengezet. De eigenlijke tentoonstelling ligt daar omheen, georganiseerd volgens een arbitrair principe, het alfabet. Geen geschiedenis van de KB, geen systematische opstelling van het soort boeken dat de bibliotheek bezit, ook niet de mooiste of de duurste boeken, nee, 26 thema's zijn gekozen die alle iets met boeken of met deze bibliotheek te maken hebben. De A staat voor 'Alles' wat bewaard moet worden, de B voor Blaeu en cartografie, de C voor competitie en gaat over sportboeken en zo door tot aan de Z voor Zoek, waar de verschillende zoeksystemen behandeld worden.

Elk thema heeft zijn eigen opstelling en sfeer, een eigen biotoop, inventief ontworpen door twee architecten, Herman Kossmann en Mark de Jong. De N heeft natuur als thema, de boeken zijn er opgesteld in een grote kooi, de H staat voor 'Hooggeleerd' en hier treedt men in de sfeer van een geleerdenbibliotheek; de P staat voor 'Praal'. Hier is een ereplaats voor de mooiste oude handschriften ingericht; de L verwijst naar Lust, een bordeauxrood boudoir met erotisch drukwerk. Er is dus geen homogene vitrineopstelling, geen systematische didactische opstelling met een vaste route van A naar Z. Cultuurhistorische tentoonstellingen in Nederland kenmerken zich zelden door inventieve inrichtingen. Het Wonderbaarlijke alfabet is zonder twijfel een creatief hoogtepunt van de laatste jaren, al is een dergelijke postmodern uitgangspunt waar boeken van geheel verschillend karakter en uiteenlopende ouderdom gelijkgeschakeld worden onder één noemer, en waar de bezoeker al zappend door de museaal-kerkelijke ruimte loopt, beslist niet geschikt voor elk onderwerp. Het is een feestelijke tentoonstelling voor een breed publiek waar ieder wel iets van zijn eigen belangstelling kan aantreffen. Op vele plaatsen kan men op beeldschermen 'bladeren' in de opgestelde boeken. Aspecten van het boek, zoals band, papier, typografie zijn vertegenwoordigd, maar ook de taken en diensten van de bibliotheek, zoals het catalogiseren, opslaan en restaureren en de strijd tegen verzuring, inkt-, groen- en kopervraat. Kortom alle vormen van verzorging en koestering. Het is een wonderlijk doolhof geworden, een feestelijke dierentuin, gewijd aan het species boek.