De derde adem

Er is een plek van een paar vierkante decimeter niet ver van de dood. Er is een laatste dans die iemand kan dansen als het leven hem er bijna onder heeft. Er is een derde adem voor de bokser.

Toen ik nog bokste, of liever gezegd, toen ik nog voor bokser studeerde, hoorde ik tijdens trainingen iemand af en toe wel eens met een toon van heilig ontzag in zijn stem praten over de 'derde adem'. Ik kon mij nauwelijks een voorstelling maken van wat daarmee werd bedoeld en omdat ik dacht dat ik geacht zou worden dat gewoon te weten, dorst ik er aanvankelijk niet naar te vragen.

Veel verder dan zoiets als een kruising tussen 'tweede adem' en 'derde oog' kwam ik niet. Het eerste begrip kende ik uit eigen ervaring als de doorstart die je lichaam soms tijdens een gevecht kon maken op een moment dat je dacht dat je met geen mogelijkheid meer verder kon. Het tweede begrip kende ik uit de boeken, en het leek mij, net als onzichtbaarheid, een erg handige eigenschap om te hebben. Ik had het zelfs ooit ook bij iemand verwezenlijkt gezien, zij het in een wel erg letterlijke vorm, toen ik midden jaren zestig toevallig getuige was van het moment dat de 'louche semi-arts B.H.' (zoals hij zich in de pers graag genoemd zag worden) het gaatje onthulde dat hij bij wijze van 'derde oog' in zijn voorhoofd had geboord. Maar wat een eventuele combinatie van tweede adem en derde oog precies op moest leveren...?

“Zoiets als het eerste gezicht misschien, bekend van de verliefdheid, maar dan vierentwintig uur per dag, zeven dagen per week...?”, grapte ik op een avond tegen mijn boksleraar, toen die met twee dichte ogen in de kleedkamer zat na een belangrijk gevecht. Hij had gemompeld dat hij het verloren had omdat hij niet door had durven gaan tot hij in zijn derde adem kwam - en ik had mij niet langer in kunnen houden en hem gevraagd wat dat nou toch precies was, die derde adem. En toen heeft hij het me verteld. Hij wiste bloed en zweet van zijn voorhoofd, staarde enige tijd in de glimmende ronding van zijn linkerbokshandschoen, en hij zei het me.

But first we dance, zoals Danny Kaye als The Inspector General in de gelijknamige film telkens zei precies op het moment dat hij, na weer een couplet van een eindeloos lang zigeunerlied gezongen te hebben, het glas met vergiftigde wijn naar zijn lippen bracht. En de dans die wij nu doen is een dodendans, of, liever gezegd, de dans van de waarheid zoals iedereen die een keer moet dansen - maar die uiteindelijk het mooist, het zuiverst en het pijnlijkst gedanst wordt door hen die hun hele leven vooral om die waarheid heengedanst hebben.

Ik herinner mij een prachtige cartoon van Jules Feiffer, waarop je een man in rokkostuum en hoge hoed een wervelende tapdans ziet uitvoeren voor de ogen van een op elk plaatje weer ander groepje beteuterd kijkende naasten. “Ik tapdans om mijn familie heen,” zegt de dansende man, “ik tapdans op mijn werk, ik tapdans relaties net zo soepel weer uit als ik er ingedanst ben. Dat is de vloek van Fred Astaire.”

En het is niet moeilijk, kijk maar naar mij. Ik doe het voor. Het bovenlichaam zoveel mogelijk stil, het gezicht op charmant en niets aan de hand, terwijl de voeten ondertussen, op eigen gezag, razendsnel hun ongeduldige, wraakzuchtige en opruiende werk doen. Wie erin slaagt de tapdanser lang genoeg op één plek te houden om hem diep in de ogen te kunnen kijken, ziet daar - direct weggelopen uit de inmiddels antieke, getekende videoclip bij het nummer Love Is All van Roger Clover - de haas met het hazenmasker op die zich schaduwboksend met zijn voorpoten door het bos een weg baant naar The Butterfly Ball.

Maar, hoe duizelingwekkend, hoe onnavolgbaar en snel je passen ook zijn, op een gegeven moment danst het leven gewoon terug. Niet erg gracieus bovendien, ronduit houterig zelfs, met de trekkerige bewegingen van een marionet of van de vogelverschrikker uit The Wizard of Oz, en op de maat van het slagwerk van een kwintet daklozen die bezig zijn in een doodlopende steeg vuilnisbakken op etensresten te doorzoeken. Maar wel met aan elke teen een zilveren belletje - en met elke scherpe rinkel beginnen wij sterker uit balans te raken. Alle dingen waar we steeds zo virtuoos overheen gedanst hadden - de leugens om bestwil, de valse hoop, schrale troost, niet nagekomen beloften, kluiten in het riet - klemmen zich nu één voor één vast aan je enkels. En plotseling is het of we tegen de stroom in aan het dansen zijn, alsof de atmosfeer om ons heen is verdicht tot pek en veren, en kost het de grootste moeite om rechtop te blijven staan. Het wordt tijd om over te schakelen op de dans die je - of je het wist of niet - altijd al voor het laatst had bewaard.

Lee Marvin danst 'm wanneer hij aan het slot van de film The Killers op het tuinpad van het huis van de grote afrekening een regen van politiekogels tegemoet walst. Richard Gere danst 'm, zij het veel korter, aan het slot van Breathless, de Amerikaanse versie van Truffaut's A Bout de Souffle, wanneer hij, aan alle kanten omringd door agenten die bevel hebben om bij de minste of geringste verdachte beweging het vuur op hem te openen, vlak voor het beeld bevriest, nog één keertje zijn Jerry Lee Lewis-imitatie doet. Maar het mooist, het meest ingehouden, en ook het aangrijpendst, is de dodendans die Al Pacino doet aan het slot van de film Donnie Brasco.

Als de even sympathieke als schlemielige mafia-onderknuppel Lefty had Pacino zich bij zijn superieuren garant gesteld voor de betrouwbaarheid van de jonge juwelen-heler Donnie Brasco, over wie hij zich ontfermd heeft als over zijn eigen zoon. Als een aantal FBI-agenten aan het slot van de film het bewijs overlegt dat Brasco één van hen is, dat wil zeggen een infiltrant, weet iedereen - de FBI, de rest van de bende en hijzelf - dat Lefty's doodsvonnis is getekend. Vanaf dat moment is het alleen nog maar een kwestie van tijd, en niet veel tijd, tot hij het telefoontje krijgt met het bijna achteloos uitgesproken verzoek of hij binnen een halfuur, liefst sneller, daar en daar kan zijn en 'nee, ik ben bezig, misschien later', is geen optie.

Wanneer de FBI-mannen daarop het mafia-honk verlaten - zo'n raamloos, van binnen roodgeverfd geval zonder ramen, maar wel met een jukebox, een bar en een biljart - volgen Lefty, zijn baas en diens rechterhand, hen op enige afstand, schoorvoetend bijna en met de ogen knipperend tegen het daglicht, naar buiten. En daar, buiten, op een winderige straathoek ergens in Little Italy, begint de dans.

Ze kijken elkaar geen moment meer aan, de drie mannen. Eerst staren ze gezamelijk nog even de auto na waarin de FBI-agenten de straat uitrijden. Waarbij de baas van Lefty opmerkingen maakt in de trant van 'nou ja zeg, niet te geloven, wat een lef, alsof wij zouden geloven dat Donnie één van hen was, huh!'. Schamperend, op de toon van 'hé, zag je wat voor duffe sokken die ene aan had, en dan dat haar van die lange!', en zonder ook maar enige moeite te doen om iets van overtuiging in zijn stem te leggen.

Vervolgens beginnen de baas en zijn rechterhand quasi-verveeld om zich heen te kijken, alsof ze alleen maar even naar buiten waren gelopen om een luchtje te scheppen. Vallen hun blikken daarbij af en toe op het achterhoofd van Lefty, die net iets dichter bij de stoeprand staat, dan blijven ze daar slechts even hangen, alsof ze opeens een paar grijze haren hebben ontdekt in het voorheen toch zo egaal ravenzwarte haar van hun vroegere makker. Maar nooit lang. Eigenlijk kennen ze hem al niet meer, zijn ze hem, op een formaliteit na, al vergeten.

Pacino ondertussen staart, na een paar steelse blikken opzij - alsof hij zich geneert voor het feit dat hij te laat op de vergadering was - bijna voortdurend strak voor zich uit, vlak langs de camera, langs óns heen. Naar het leven zoals dat daar, aan de overkant van de straat, in al zijn glorie, opeens achter hem ligt.

Zijn hele leven had hij niet zoveel gezien, gehoord, gevoeld en geroken als nu. Het ruisen van de branding in zijn hart, het zachte schuren van zijn overhemd tegen zijn huid, het sissen van banden op nat asfalt. De zoete geur van bederf uit een vuilnisbak, die hem altijd deed denken aan hoe het rook wanneer je als kind in de herfst in een dik pak dode bladeren sprong, en die twee geuren bij elkaar deden hem weer denken aan die van een pas geopend blikje tomatenpuree. Het even gecompliceerde als ook eminent dansbare ritme van talloze hakken die allemaal op verschillende momenten tegen het trottoir klepperden.

En opeens kan hij ook woord voor woord verstaan wat die vrouw in haar ochtendjas, daar recht tegenover hem op de tweede verdieping, tegen de kat zegt, die hij in haar slaapkamer aan de achterkant van het apartement op het bed ziet liggen. Hij heeft röntgen-ogen gekregen en röntgen-oren en total recall. Een paar tellen lang kijkt hij in één rechte lijn dwars door alle muren in de stad heen. Hij ziet en hoort hoe alles en iedereen, ook de schimmen uit het verleden en de gesluierden van de toekomst, met een draaiende beweging op één punt samenkomen - haarscherp en zonder dat er ook maar even twee dingen door elkaar lopen.

Voor alle duidelijkheid: getoond wordt er niets van dit alles. Wij zien gewoon drie mannen op een winderige straathoek. De rest is puur momentum.

En dan zijn eigen voetenwerk. Het is niet veel wat Pacino doet, maar het is subliem. Eén aarzelend stapje vooruit, twee wanhopige stapjes terug. Twee passen op de plaats, één bange pas opzij, een nijdige kwartdraai uit de heup,en weer terug. Alles bij elkaar duurt het misschien twee minuten, op z'n hoogst, en bestrijkt het niet meer dan twee stoeptegels, maar het is een heel leven dat daarin op ons af komt gedanst. Het leven, zoals dat langzaam, stap voor stap, uit Lefty wegdanst.

Gezien de enorme dreun die hij daarnet heeft gekregen en het besef van wat hem nog te wachten staat, is het een wonder dat hij nog op zijn benen kan staan.Hoewel, misschien is het wel zo dat de plek waar Lefty nu staat juist de enige plek is waar hij alleen nog maar kán staan. De plek, waar je, zoals mijn boksleraar mij uitlegde, alleen kan komen op je 'derde adem': ergens tussen je tweede adem en de dood. Een plek, niet meer dan een paar vierkante decimeter groot, net genoeg voor de gemiddelde schoenmaat van een mens, die samenvalt met wat de dichter T.S. Eliot in één van zijn Four Quartets 'the still point' heeft genoemd.

Except for the point, the still point, there would be no dance, and there is only the dance.