Bang voor alles wat gewoon is

Otto de Kat: Man in de verte. Van Oorschot, 112 blz. ƒ 26,50

Het lijkt me geen toeval dat Otto de Kat in zijn eerste roman Man in de verte plaats inruimt voor een gesprek over het verschil tussen Nederlandse en Vlaamse literatuur. 'Vrijwel niemand in Nederland durft serieus te schrijven', zegt een deskundige, die duidelijk de Vlaamse boven de Nederlandse schrijfkunst stelt. 'Vlamingen zijn gedreven, Hollanders zijn bang voor hun gevoel.' Hij wordt niet tegengesproken.

Ik vermoed dat Otto de Kat - het al meteen bij verschijning van zijn debuut onthulde pseudoniem van uitgever Jan Geurt Gaarlandt - het met deze zienswijze eens is. Maar ook vermoed ik dat hij zichzelf beschouwt als een gelukkige uitzondering op deze regel. De gevoelsdichtheid van Man in de verte lijkt inderdaad erg groot. Er wordt hier, figuurlijk althans, heel wat afgeweend om wat onherroepelijk voorbij is: mensenlevens die te vroeg zijn afgebroken, liefdesverhoudingen die niet van de grond zijn gekomen, geluksmomenten die opgelost zijn in het verleden.

De eerste ontmoeting met de naamloze hoofdpersoon vindt plaats in de lobby van het Algonquin in New York, waar hij zit te mijmeren over vroeger. Hij denkt terug aan toen zijn vader nog leefde, die hem hielp met zijn latijn, die lange schaatstochten met hem maakte en die de toneelvoorstelling bijwoonde waarin hij als 15-jarige gymnasiast schitterde.

Over deze vader, zijn grote leidsman, de 'man in de verte' uit de titel, is het laatste woord dan nog lang niet gesproken. Behoedzaam manoeuvreert De Kat ons via andere internationale locaties (Zürich, Cambridge, Boedapest) en nog veel meer herinneringen naar de sterfdag van de vader, die wel bedoeld zal zijn als het gevoelshoogtepunt van de roman. Ik heb er tamelijk onbewogen kennis van genomen, zoals ik ook van de beschrijving van een voorbije verhouding met zekere K. en van de episode met de vroeg overleden studievriend E. onbewogen kennis heb genomen. Onbewogen is trouwens niet helemaal het goede woord, want De Kat heeft wel degelijk een bepaald gevoel weten te mobiliseren, maar dan van wantrouwen.

Hier worden niet zozeer gevoelens geuit, alswel geacteerd, in scène gezet. Alles aan Man in de verte wekt een precieuze en kunstmatige indruk: de woordkeus, de zinsbouw, de opbouw, de intrige.

De Kat lijkt bang te zijn voor alles wat gewoon is of gewoon gevónden zou kunnen worden. In zijn drang zich mooi of gevoelvol uit te drukken, zet hij zijn zinnen vaak net iets te zwaar aan, zodat ze iets geaffecteerds krijgen. Een meisje dat haastig de lobby van het Algonquin binnenkomt is niet buiten adem, maar 'bijna buiten adem' en zij zet niet haar paraplu, maar haar 'half opgevouwen paraplu' tegen een stoel. Studievriend E. steekt niet zomaar een sigaret op: 'Met het gemak van een plantagebezitter haalde hij een aansteker uit een aparte binnenzak van zijn jasje en knipte de vlam aan.'

Maar het merkwaardigst is nog wel de bepaald opschepperige ondertoon die te beluisteren valt in de herinneringen aan de vaderfiguur, alsof er een of ander gelijk gehaald moet worden. De Kat wijdt een passage aan hun gezamenlijke liefde voor de schilderkunst, voor de Nederlandse romantische schilders vooral. 'Hij kende hun namen en favoriete onderwerpen al jaren voordat ze in de mode waren.'

Ook de gezamenlijke schaatstocht door de Alblasserwaard, in vloeiende stijl gereden op houten schaatsen, wordt in zelfvoldane termen beschreven. Het is een van de geheiligde herinneringen van de zoon: 'De schaatsers die hen tegemoetkwamen hielden soms in om naar hen te kijken'.

Weinig geloofwaardig is dan deze bewering die daar vrij snel op volgt, namelijk dat hij 'merkte (-) dat deze tocht hem volkomen opeiste.'

Over alles wat verder nog over de vader wordt gezegd ligt de onzuivere glans van het gesnoef over zijn voortreffelijkheid, - die via de genen regelrecht op zijn zoon is overgegaan, als wij hem op zijn woord mogen geloven. Want hij meent het ook met zichzelf heel aardig getroffen te hebben. Als hij een rede afsteekt tijdens een crematieplechtigheid luisteren 'honderden' aanwezigen ademloos toe en rijzen als één man op als hij zijn laatste woord gesproken heeft, bij wijze van 'monumentale groet'. Op elke plek voelt deze wereldreiziger zich thuis, of hij nu halsoverkop afreist naar het Zürich van Thomas Mann en James Joyce, een conferentie bijwoont in het communistische Boedapest, een postdoctorale cursus volgt in het conservatieve bolwerk dat Cambridge is, of zijn intrek neemt in een chic pension op het Engelse platteland, waar vele beroemdheden hem zijn voorgegaan. In dat pension lijkt hij bovendien door niemand minder dan (de gereïncarneerde?) Walter Benjamin bevestigd te worden in de juistheid van zijn achterwaartse manier van leven. Want het verleden heb je en kun je eindeloos koesteren, terwijl er in de toekomst alleen maar de zekerheid is van het graf, aldus Benjamin.

Onze held luistert overigens maar met een half oor naar deze uiteenzetting, verdiept als hij alweer is in zijn eigen, veel interessantere mijmeringen.