Voetbal, glorie en grandeur

Als Nederland wereldkampioen voetbal was geworden, dan hadden zich in ons land ongetwijfeld weer vele lachwekkende en beschamende tonelen afgespeeld.

Ouderen onder ons herinneren zich met huiver hoe premier Den Uyl in 1974 met de voetballers rond het Catshuis hoste om duidelijk te maken dat hij echt niet alleen maar een zure betweter en sigarenrokende vergadertijger was, maar op zijn tijd ook best een gezellige vent en toffe kerel kon zijn. Het is mij altijd bijgebleven als een van de meest beschamende taferelen uit de contemporaine Nederlandse geschiedenis. En toen hadden 'wij' die finale nog niet eens gewonnen maar verloren, en dat ook nog van Duitsland.

Dit keer hebben wij de finale niet gehaald, maar in de halve finale verloren van Brazilië. Die wedstrijd eindigde in een gelijkspel en werd na verlenging beslist door strafschoppen. Frankrijk versloeg datzelfde Brazilië in de finale op overtuigende wijze. Ook daaraan was echter een door strafschoppen besliste wedstrijd voorafgegaan, in dit geval tegen Italië. Ik ben geen groot voetballiefhebber en kijk eigenlijk alleen 'omdat het moet'. Daarom verbaast het mij des te meer dat de aficionados met zo'n beslissing door strafschoppen genoegen nemen. Natuurlijk moet er ooit een eind aan een wedstrijd komen, maar waarom op zo'n rare manier? Het is alsof het wereldkampioenschap bridge zou worden beslist door een partijtje toepen of een waterpolowedstrijd door een competitie in schoonspringen.

Bij tennis had je vroeger een soortgelijk probleem. Ik herinner mij nog Wimbledon-partijen met sets die pas bij 24-22 werden beslist. Daar is een oplossing voor gevonden in de vorm van de tiebreak, een ingewikkeld en zenuwslopend systeem van scoren, maar in ieder geval toch een vorm van tennis. Het kan niet moeilijk zijn ook voor voetbal iets dergelijks te bedenken. Je zou bijvoorbeeld de verlenging zonder keeper kunnen laten spelen of elke vijf minuten een willekeurige speler het veld uitsturen of de oude regel uit straatvoetbal, 'drie corners pienantie', weer invoeren. Je zou ook de doelpalen verder uit elkaar kunnen plaatsen en de buitenspelregel afschaffen. Dat zou trouwens sowieso goed zijn. De buitenspelregel benadeelt de aanvallers en er vallen toch al veel te weinig doelpunten. Ook de omvang van de doelen is dringend aan herziening toe. Die omvang is, meen ik, sinds de opkomst van het voetbal ruim honderd jaar geleden even groot gebleven, maar de mensen zijn inmiddels veel langer geworden en de beroepsvoetballers veel sterker. Een paar meter erbij zou dus beslist geen kwaad kunnen.

Hoe dit ook zij, het Nederlands elftal heeft de finale niet gehaald. Toch was het een goed elftal, maar volgens de Franse pers waren er twee zwakke punten: de spelers waren te arrogant en binnen het team bestonden raciale spanningen. Als Nederlander sta je daar wel even van te kijken, want arrogantie is iets dat wij nu juist vaak met de Fransen associëren en het land van Le Pen staat bij ons bekend wegens de raciale spanningen. Ik weet niet of deze verwijten aan het Nederlandse elftal gerechtvaardigd waren, maar ik weet wel dat een van de dingen die bij de Franse voetballers en supporters opvielen, was dat ze niet arrogant waren, maar vol vreugde en verbazing over de Franse successen. Opvallend was ook dat vaak werd betoogd dat het Franse nationale elftal zijn succes te danken had aan de unieke combinatie van beur (Noord-Afrikaans), blanc en noir. Deze opvallende aandacht voor het thema van de raciale harmonie kan overigens ook juist als een indicatie voor het bestaan van raciale spanningen worden gezien. En de overweldigende belangstelling, ook in politiek en diplomatie, voor de voetbalsuccessen, kan worden beschouwd als een aanwijzing voor het feit dat het Franse zelfbewustzijn dringend aan een opkikker toe was, omdat het land lijdt aan een gebrek aan zelfvertrouwen en een gevoel van onzekerheid over zijn plaats in de wereld.

In de vele geleerde commentaren op het toernooi zijn dergelijke analyses en observaties ook te vinden. De dag na de finale stond op de voorpagina van de Figaro een column van de vermaarde schrijver en commentator Alain Peyrefitte, van de Académie française. Peyrefitte schreef onder andere dat het Franse elftal bij het kampioenschap een 'mission secrète' had gehad, namelijk de Fransen een les te geven in zelfvertrouwen, ambitie en eenheid. Om die eenheid was het Peyrefitte vooral te doen. Hij betoogde dat Frankrijk een multiraciaal land is, maar desondanks één volk met één cultuur. Dit is te danken aan de Franse integratiepolitiek. Peyrefitte sprak bewust van een multiraciale en niet van een multiculturele samenleving, want van dat laatste is hij nu juist een tegenstander. De verschillende etnische groepen zijn in de loop der geschiedenis altijd in de Franse cultuur geïntegreerd. Dat gebeurde eerst met de bevolking van de verschillende Franse regio's (Bretagne, Elzas, Languedoc et cetera) en later ook met de immigranten. Deze integratie- en assimilatiepolitiek moet ook nu met kracht worden voortgezet. Het alternatief van de multiculturele samenleving leidt volgens Peyrefitte onvermijdelijkerwijs tot gettovorming en desintegratie.

Peyrefitte's pleidooi voor de traditionele, centralistische en republikeinse, integratiepolitiek werd enige dagen later op een persconferentie ter gelegenheid van de 14de juli voortgezet door president Chirac. De overwinning had volgens Chirac aangetoond dat Frankrijk een ziel had en hij vervolgde, à la Peyrefitte, dat Frankrijk etnisch gezien 'une origine plurielle' kent en juist daarom zo'n behoefte heeft aan een integratiepolitiek.

De verschillen tussen Frankrijk en Nederland zijn minder groot dan vaak wordt aangenomen. Ook in Nederland leidden de overwinning in het Europees kampioenschap voetbal in 1988 en vooral de 'revanche' op Duitsland tot uitzinnige manifestaties van nationale vreugde en trots, die op hun beurt weer aanleiding gaven tot beschouwingen over de Nederlandse identiteit en collectieve psychologie, die men niet direct met een voetbalwedstrijd in verband zou brengen. Maar sport in het algemeen en voetbal in het bijzonder zijn geen marginale verschijnselen meer. Zij nemen een centrale plaats in de samenleving in. Het laatste nummer van het interessante tijdschrift Modern and Contemporary France (Vol. 6, nr. 3, augustus 1998) is dan ook geheel gewijd aan het thema: 'Sport, culture and society in modern France'. De laatste bijdrage gaat over de voorbereiding van het wereldkampioenschap voetbal en de vele partijpolitieke perikelen die zich hierbij hebben voorgedaan. De conclusie van dit artikel, dat vóór het toernooi werd geschreven, is dat alleen al de organisatie van het WK de Fransen over hun minderwaardigheidscomplex - hier aangeduid als hun 'Astérix complex' - heeft heengeholpen. 'Jouer dans la cour des grands', daar ging het om. Nu, dat is gebeurd en meer dan dat. Er is niet alleen gespeeld met de groten, maar ook nog van de groten gewonnen. Als er al een Astérix-complex bestaat, dan moet dit genoeg zijn om ervan af te komen.

    • H.L. Wesseling