Lakenhal in Leiden toont werk van acht beeldhouwsters; De kracht van Charlotte van Pallandt

Tentoonstelling: Van beeld tot beeld. T/m 28/10 in Stedelijk Museum De Lakenhal, Oude Singel 28-32, Leiden. Geopend: di. t/m vr. 10-17 uur, za. en zo. 12-17 uur.

In dit 'Jaar van Vrouw en Arbeid 1898-1998' presenteert De Lakenhal in Leiden het werk van tien vrouwelijke beeldhouwers. Een scheiding der seksen is in de kunst weliswaar allang uit de tijd, maar ja, nu we dan toch in dat speciale herdenkingsjaar leven, nu de combinatie vrouw en arbeid nog steeds verre van ideaal is en de vermeende fysieke stoerheid van vrouwelijke beeldhouwsters bij voorbaat al sympathie wekt, ligt het voor de hand om eens in dat stedelijk museum te gaan kijken.

Van beeld tot beeld blijkt een niet al te grote, maar afwisselende expositie te zijn. Bij de ingang staan al wat beelden ter kennismaking en op de bovenste museumetage lokt de aria van een leeuwerik - of is het een lijster? - de bezoeker nog drie andere zalen binnen. Zoals dat vogelengezang, een idee van Annelies Dijkman, tot de eigentijdse beeldhouwkunst wordt gerekend, zo valt ook het videofilmpje Voetbal (1995) van Marijke van Warmerdam in die categorie. Minutenlang zien we het hoofd van een jongetje dat met een hemels-schele blik een leren bal boven zijn wenkbrauwen probeert stil te houden. Van Warmerdam heeft het talent, dat ergens op een leeg plein dezelfde geraffineerde bewegingen met zijn hoofd maakt als een buikdanseres met haar torso, steeds vanaf hetzelfde standpunt geregistreerd. Knap hoor, dat jongetje met die bal en zo, maar de niet-voetbalfan houdt het snel voor gezien. En dan mist ie dus, net als ik, de pointe: de bal valt, namelijk.

Behalve de video's komen ook de meer tastbare beelden grotendeels uit het eigen bezit van De Lakenhal. Jaarlijks kan het museum bijna twee ton aan 20ste-eeuwse kunst uitgeven. Misschien koopt het binnenkort de fotoserie van Erzsèbet Baerveldt wel aan. Onder de titel Loved Ones (1991) is steeds een hand gefotografeerd die een realistische oog-uitsnede vasthoudt. Dat oog drijft niet in het luchtledige, het geeft het aangezicht van een stenen beeld een wisselende uitdrukking. Vanaf de klassieke oudheid tot en met de Duitse beeldhouwer Max Klinger wist men vernuftig met glazen ogen leven te blazen in stenen of marmeren bustes. Maar het spel dat Baerveldt speelt met haar zelfgemaakte, middeleeuws aandoende beelden, haar nep-ogen en de camera heeft een stevig paranoïde gehalte en dat blijft je wel even bij.

De bijdrage van Fransje Krol uit 1989 beperkt zich tot de parallelle wandeling van een stalen lijn en een papieren streep, die beide in de niet al te grote zaal een verdwaalde indruk maken. Maja van Hall is vertegenwoordigd met een bronzen plateau waarop wat archaïsche vormpjes zich als in een raadselachtig schaakspel tot elkaar verhouden. En het is goed om hier weer die vroege sculptuur van Fortuyn/O'Brien terug te zien: Minstrels (1985), twee sierlijk, perspectivisch verbogen en blauw geschilderde raamlijsten. Als afbeeldingen op een vliegengordijn zouden ze een nog meer vervreemdend effect sorteren.

Eigenlijk dient deze nogal willekeurige dwarsdoorsnede van de vrouwelijke, Nederlandse 'beeldhouwkunst' als garnering van twintig hele andere sculpturen. En die zijn gemaakt door niemand minder dan Charlotte van Pallandt (1898-1997), 'de beeldhouwkunstige moeder des vaderlands'. Het Leids museum kreeg een aantal stukken als schenking en bruikleen van de erfgenamen. Omringd door de weemoedige foto's die Ama Kaag in die laatste jaren op Van Pallandts Noordwijkse atelier maakte, door de schetsboekjes en de beitels van de beeldhouwster, is nu onder meer het ontstaansproces van De Drenkeling (1976) te zien, een opdracht ter herdenking van 150 jaar reddingswezen.

Van Pallandts definitieve versie - de onwrikbare, bronzen zeebonk, die op zijn rug een bijna levenloze gedaante draagt - werd destijds afgewezen. Volgens de regels redde men geen mensen op de rug, drenkelingen dienden op de armen, vóór het lichaam, gedragen te worden. En zo mondde de opdracht aan Van Pallandt uit in een bredere, sculpturale zoektocht: een constructief onderzoek, dat vanaf de stoere schetsen, als houvast van houding en anatomische opbouw, via een houten beeldenskelet, naar de klei leidt, waarvan de ruige huid, eenmaal in brons gegoten, er alleen maar mooier en menselijker op werd.

Zelfs de geometrische, rood granieten visie op De Drenkeling staat in De Lakenhal opgesteld. In deze en andere versies laten redder en drenkeling zich nauwelijks meer onderscheiden. Ze zijn versmolten, zoals er waarschijnlijk ook in werkelijkheid de rest van hun leven een verbintenis zou hebben bestaan. Afgezien van de veelzijdige vakkundigheid van Van Pallandt, laat zich maar moeilijk verwoorden waar die kracht en innemendheid die haar beelden keer op keer in zich dragen, toch vandaan komen. Dat komt, omdat ze van binnenuit, letterlijk vanuit het skelet werkte, zeggen de kenners. Maar die methodische kennis is ontoereikend. Van Pallandts vriend A. Roland Holst naderde de kern iets dichter: 'Zij weet hoe 't moet, en weet ook wat zij doet;/maar omdat zij niet weet van overmoed,/staat, van nog boven haar verlicht bewustzijn/haar sterkste werk in een geheime gloed.' Die gloed is er weer in Leiden.