In het Mekka van de heilige auto

VERSCHUIFBARE middenbermen, monitors boven de weg, extra tol voor spitsrijders. Overal in de Verenigde Staten voeren verkeersplanners experimenten uit om de autostromen te reguleren en, in mindere mate, terug te dringen. Files zijn geen nationaal maar meer een regionaal probleem en de oplossingen zijn per regio verschillend. De auto blijft echter essentieel, zeer vaak onvervangbaar en vooral heilig.

In Seattle is op veel snelwegen een carpoolstrook die minder druk is dan de andere rijbanen. Seattle wil het carpoolen kennelijk aanmoedigen en is zelfs bereid zijn burgers tegen elkaar op te zetten: om de kilometer staat er een bordje met een telefoonnummer dat je gratis kunt bellen om overtreders aan te geven. De snelweg van Los Angeles naar San Diego heeft een tolrijbaan voor wie files wil vermijden. Daarvoor moet je wel een geregistreerde rijder zijn.

Een echte discussie over de wenselijkheid van openbaar vervoer om files te voorkomen, ontbreekt in de Verenigde Staten. Luchtvervuiling is wel een erkend probleem maar de oplossing daarvoor is schonere auto's, niet méér openbaar vervoer. Het openbaar vervoer heeft decennia geleden de slag al verloren van de auto en het is bijna ondenkbaar dat die ontwikkeling nog kan worden gekeerd. Dus sluiten miljoenen dagelijks achter in de file aan.

De geschatte kosten van Amerikaanse files in verspilde brandstof en manuren bedragen 51 miljard dollar per jaar. Een van de oplossingen zou volgens de National Research Council tolheffing zijn voor het rijden tijdens spitsuren. Gebleken is dat iets minder dan de helft van de automobilisten tijdens de spits niet op weg van of naar het werk is. Tolheffing moedigt die groep aan op andere tijden te rijden. Ook bleek uit een experiment dat automobilisten alternatieve routes zoeken, meer carpoolen en vaker gebruikmaken van het openbaar vervoer.

Als de auto heilig is, is Los Angeles het mekka van die religie. De stad is een onafzienbaar groot stedelijk gebied, heeft een enorm wegennet, maar nauwelijks openbaar vervoer. Een auto is onmisbaar. Luchtvervuiling is er een plaag en op alle mogelijke manieren wordt nagedacht over manieren om het autogebruik terug te dringen.

Los Angeles heeft bij opritten naar de snelweg een stoplicht dat om de ongeveer vijf seconden op rood en groen springt zodat auto's een voor een langzaam rijdend in het verkeer worden opgenomen. In Orange County, een gewest ten zuidoosten van LA, is een weg geprivatiseerd. Per dag zijn veertigduizend auto's bereid 2,50 dollar te betalen voor gebruik van de weg. Het vermindert de files en de vervuiling. De stad is begonnen met ondergronds openbaar vervoer en probeert het autogebruik verder terug te dringen. Parkeren in het centrum wordt peperduur gemaakt. Daartegenover staat belastingaftrek voor bedrijven die abonnementen voor het openbaar vervoer betalen voor hun personeel. De Angelino's laten zich de veranderingen aanleunen. Ze kunnen niet zonder hun auto maar ze brengen er te veel tijd in door.

In verschillende regio's werken verschillende oplossingen. In navolging van LA zou ook Minneapolis een rijstrook krijgen waarvoor extra moest worden betaald, maar het gros van de bewoners zag dit als een rijstrook voor rijken en de maatregel ging niet door. In de staat Maryland hangen monitors boven de weg die de automobilist attent maken op opstoppingen en soms een alternatieve route aanbevelen.

Verschuifbare middenbermen worden op veel plaatsen gebruikt, bijvoorbeeld op een aantal grote bruggen maar ook in een stad als Dallas, typisch een voorbeeld van een stad waar men in het centrum werkt maar niet woont. Op een snelweg met vijf banen kan tijdens het spitsuur de middenberm naar beide kanten worden gevarieerd zodat er vier banen binnenkomend of uitgaand verkeer zijn. Het levert ongeveer eenderde minder files op.

Een hoofdstuk apart is de situatie in New York. De stedelijke agglomeratie New York omvat de stad en de randgemeenten er omheen, inclusief die in New Jersey en Connecticut. Het is een gebied waar ongeveer achttien- tot twintig miljoen mensen wonen, met Manhattan als het kloppend hart. In de twee torens van het World Trade Center alleen al werken vijftigduizend mensen. Elke ochtend proberen een paar miljoen mensen op dat eiland te komen en elke avond willen ze er weer af. Er is druk trein- en subwayverkeer, maar de files zijn nog steeds lang. Manhattan is per auto bereikbaar via een pont, vier tunnels en dertien bruggen. Spitsuur of geen spitsuur, het is altijd dringen. Automobilisten rijden naar de trechters en drukken door. Op de helft van de plaatsen moet tol worden betaald, en dat kan pas sinds anderhalf jaar elektronisch.

Er zijn in de stad New York geen carpoolrijbanen, maar een stukje buiten de stad wel. Een belangrijke brug op twintig mijl buiten de stad, de Tappan Zee Bridge, heeft een verplaatsbare middenberm. Ook op Long Island is een variabele middenberm, de extra rijstrook is slechts voor bussen. De forenzenboten van New Jersey naar het financial district zorgen ervoor dat automobilisten hun auto buiten Manhattan houden. Meer wil of kan de stad niet doen om de filerijder tegemoet te komen.

Wordt in New York een anti-filebeleid gevoerd? Nemen steeds meer mensen de trein? Het antwoord op beide vragen is ontkennend. Er is gewoon geen geld en wellicht ontbreekt ook de wil. New York heeft de infrastructuur van een derde-wereldstad. Gaten en kuilen in de weg worden net zomin afdoende gerepareerd als vervallen bruggen en tunnels. Zolang iedereen elke dag zijn werk bereikt en 's avonds weer thuiskomt, blijft alles bij het oude.

    • Lucas Ligenberg