Westerse industrie profiteert van historisch lage prijzen; Grondstoffen kind van de rekening

Op de markt voor grond- stoffen rolt het geld nog volop, maar er wordt weinig verdiend door historisch lage prijzen. Voor een aantal belang- rijke grondstoffen voor voedingsmiddelen zijn de prijzen nu praktisch gelijk aan de kosten voor productie of net iets daarboven. 'Boosdoe- ners' zijn de Azië-crisis, de 'vaste' dollarkoers, overproductie, El Niño, gouden graanoogsten en sterk gedaalde kosten voor de productie van ruwe olie. Goedkope grondstoffen zijn slecht voor de landen van oorsprong en goed voor de Westerse industrie. De consument merkt er pas iets van als de dalende trend lang duurt.

De Nederlandse industrie vaart wel bij het extreem lage prijsniveau voor grondstoffen en dat geldt voor de meeste Westerse industrielanden. Noorwegen is met zijn sterke afhankelijkheid van energiewinning een uitzondering doordat de aanhoudend lage olie- en gasprijzen de deviezeninkomsten en de revenuen voor de staat sterk drukken. Landen met nog sterkere posities in de levering van grondstoffen worden harder door de prijscrisis getroffen: Rusland (olie, gas en metalen), Venezuela en Mexico (olie), Brazilië en Argentinië (koffie, granen) en Chili (koper).

“We zitten met veel grondstoffenprijzen op het laagste niveau in 20 tot 25 jaar”, zegt Gijs van Dam, marktexpert op het filiaal Schiphol van de Amerikaanse investmentbank Salomon Smith Barney. “Reken je in reële dollars of guldens, dus voor inflatie gecorrigeerd, dan praat je over historisch lage niveaus. Ruwe olie is nu bijvoorbeeld goedkoper dan 25 jaar geleden toen de eerste oliecrisis uitbrak. Voor koffie werd een jaar geleden nog 3 dollar per pound betaald, nu ligt de prijs op 1,10 tot 1,20 dollar.” De lage prijzen zorgen volgens Van Dam nog wel voor “een redelijke vraag” waardoor er geld op de grondstoffenmarkt blijft rollen, maar de handel verdient er weinig aan.

Mede daardoor neemt het aantal partijen dat actief is op deze markten af, zegt Van Dam. Aandelenhandel, waarin veel meer is te verdienen, staat hoog genoteerd. Investeerders stappen daarin over; tegelijkertijd vermindert het aantal echte grondstoffenbedrijven door bedrijfssluitingen, overnames en fusies. Onlangs nam bijvoorbeeld Cargill, een van 's werelds grootste producenten en handelaren in basisgrondstoffen voor de voedingsmiddelenindustrie, het Belgische Vamo Mill over. In de aardoliesector zijn recente voorbeelden de fusie tussen British Petroleum en Amoco en de allianties in de raffinage en verkoop tussen BP en Mobil en tussen Shell en Texaco.

Maandag moest de Noorse centrale bank voor de zevende maal in korte tijd de rentetarieven verhogen, waardoor het voordeel voor Noorse ondernemers van goedkope grondstoffen volledig teniet werd gedaan. Met de rentestijging probeert de centrale bank de koersval van de kroon tot staan te brengen. Op de financiële markten is de kroon in diskrediet, door vrees voor oververhitting van de Noorse economie omdat de regering nog geen maatregelen neemt om de uitgaven aan de inkomsten aan te passen en hoge loonstijgingen de concurrentiepositie van het land onder druk zetten. Qua rentestand is Noorwegen met een tarief van 9 procent voor kortetermijnleningen nu het lelijke eendje van West-Europa geworden.

Nederland is met zijn veelzijdiger economie minder kwetsbaar voor de gevolgen van lage olieprijzen. Weliswaar doet iedere dollar verlies op de olieprijs op jaarbasis zo'n 500 miljoen gulden minder in de kas van minister Zalm stromen omdat de staatsinkomsten op de aardgaswinning afnemen, maar dat wordt volgens analisten in de economische hausse van het moment voor een groot deel gecompenseerd door hogere opbrengsten uit BTW, vennootschapsbelasting en inkomstenbelasting. Over het eerste halfjaar steeg de omzet van de Nederlandse industrie volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek met zes procent exclusief BTW, en de export zelfs met 7 procent, terwijl de productiegroei in volume 4,5 procent hoger lag dan in de eerste zes maanden van 1997. Goedkope grondstoffen en halffabrikaten - 2,4 procent lager geprijsd dan een jaar geleden - hielpen de industrie het meest. De maand juni liet zelfs een prijsdaling van 4,4 procent zien vergeleken met dezelfde maand een jaar geleden.

Volgens analist Joop de Vries van het economisch bureau van ABN Amro is de prijsdaling voor metalen ten dele “psychologisch” van aard. “Sinds begin jaren '90 is een aantal grote internationale investeringsfondsen actief geworden op de termijnmarkt. Die verkopen nu contracten in de hoop bij nog lagere prijzen weer in te kopen, puur om winst te maken op een product dat ze zelf niet hebben of gebruiken. Een soort selffulfilling prophecy. Als die partijen bijvoorbeeld een half procent van hun vermogen terugtrekken praat je al over vele miljarden dollars.”

Net als de financiële markten reageert de grondstoffenhandel, zeker de termijnhandel, onmiddellijk op grote politieke veranderingen of militaire acties. De Amerikaanse aanvallen op met terroristen geassocieerde doelen in Afghanistan en Soedan op 20 augustus dreven in New York dezelfde avond nog de olieprijs met 30 dollarcent per vat op. Ook goud en zilver werden tijdelijk iets duurder. Handelaren kopen op zo'n moment contracten op de speculatie dat Arabische olielanden de VS zouden willen afstraffen door de oliekranen dicht te draaien. Dat gebeurde niet en de olieprijs daalde weer net zo snel. De handelaren verkochten 'posities' en pakten de winst.

Een grote trader in Genève die niet met zijn naam in de krant wil, zegt dat de prijzen op de wereldmarkten voor een aantal grondstoffen nu tegen of net iets boven de productiekosten liggen. “Dat geldt voor granen, suiker, koffie en oliebrandstoffen uit sommige delen van de wereld. Die producten bereiken de markten nog steeds, maar eigenlijk is het niet meer lonend om te exporteren. Koffieboeren in Zuid-Amerika verdienen het zout in de pap niet meer. En neem stookolie uit Rusland, die kost 50 dollar per ton. Als je daar de kosten van transport en behandeling van aftrekt, blijft er weinig of niets voor de leverancier over.”

De financiële crises in Azië, Rusland en Zuid-Amerika die de import van voedingsmiddelen in deze regio's decimeren, krijgen van alle experts een deel van de schuld. De roebelcrash zal daar naar verwachting nog een schepje bovenop doen, want die maakt Russische producten - in het bijzonder metalen - goedkoper. De stabiele dollarkoers in de afgelopen twee jaar versterkt het effect. De meeste internationale grondstoffenprijzen zijn in de Amerikaanse munt genoteerd.

Maar meer nog wordt de prijscrisis voor grondstoffen in de voedingsmiddelenbranche geweten aan El Niño, het klimaatfenomeen veroorzaakt door de warme golfstroom in de Grote Oceaan. Tot nu toe zou El Niño een positieve invloed hebben op de oogsten van graan, sojabonen (grondstof voor voedingsmiddelen en veevoer) en maïs in de Amerika's en Europa. De graanoogsten in de Verenigde Staten worden “geweldig” genoemd en in Europa “gemiddeld”, terwijl ook koffie, suiker en maïs uit Brazilië en Argentinië in ruime mate worden aangeboden. “Het tarwe-areaal is daar trouwens de laatste jaren enorm uitgebreid, dat hebben ze van de boeren in Noord-Amerika geleerd”, zegt de expert in Genève.

“Ik voorzie in de naaste toekomst een verdere deflatie, ook voor een aantal metalen. Staal en aluminium zullen op z'n best op het huidige niveau blijven. Daar hebben we meer dan genoeg aanbod van als gevolg van de Azië-crisis. Voor goud is er weinig hoop, in Rusland wil men de roebel en de staatsinkomsten zelfs steunen met goudverkoop. Zilver ligt iets stabieler, koper is erg goedkoop, palladium en andere speciale metalen gaan beter. Bij de graanteelt moet je rekening houden met een stijgend aanbod, ook al zouden de oogsten volgend jaar gemiddeld lager zijn. Dat komt vooral door de toepassing van nieuwe biotechnologische teeltmethoden die in Noord-Amerika een hoge vlucht nemen.”

Alle indexcijfers voor grondstoffen staan op verlies, zowel voor de termijn- als de spotmarkten, met grote dalingen ten opzichte van een jaar geleden. Goedkope brandstoffen - gevolg van de lage olieprijs die zich voor de toonaangevende Noordzee-olie Brent rondom de 12 dollar per vat van 159 liter beweegt - hebben een grote invloed op de gemiddelde grondstoffenprijsmix. Bijvoorbeeld de Duitse HWWA-index, waarin energiegrondstof met 63 van de 100 punten meeweegt, industriële grondstoffen met 21 en die voor voedings- en genotmiddelen met 16 punten.

Gijs van Dam: “Het succes van Opec (Organisatie van olie-exporterende landen) in de jaren '60 en '70 is de olielanden flink opgebroken, want als reactie op de prijsbeheersing door Opec is er overal een speurtocht naar nieuwe winningsgebieden op gang gekomen en die levert nu veel nieuwe reserves op. Je hoeft maar naar de Noordzee, Alaska, de Kaspische regio en West-Afrika te kijken. Daar kwamen nog bovenop de nieuwe technieken die de industrie overal toepast om olie veel goedkoper naar boven te krijgen. De jongste cijfers over nieuwe reserves hebben al een prijsdrukkend effect op de termijnmarkten.

“Tien jaar geleden, in 1988, was de prijs voor Brent 11,50 dollar per vat en onlangs bereikten we weer een dieptepunt op de termijnmarkt in Londen met een notering van 11,55 dollar. Opec lijkt deze crisis niet meer te kunnen hanteren. Vorige week, na de aankondiging van de Saoedische olieminister dat hij opnieuw met Mexico en Venezuela overleg wilde, zag je een licht prijsherstel. Maar dezelfde dag nog werd meegedeeld dat er niet over een nieuwe ronde van productiebeperkingen zal worden gesproken en meteen zakte de olieprijs weer in.”

Jan Dirkzwager, manager raffinage van plantaardige olie voor de Benelux bij Cargill in Amsterdam, zegt dat de handel in grondstoffen door lage prijzen wordt gestimuleerd. “Dan is er sprake van overschotten en dat betekent dat er meer te verhandelen en te transporteren is dan bij een tekort.” Vooral in landen die sterk afhankelijk zijn van import wordt de vraag gestimuleerd door lage noteringen op de wereldmarkt. Ook neemt de verwerking van grondstoffen bij lage prijzen toe, waardoor de bezettingsgraad van fabrieken in de productielanden verbetert. Een bedrijf als Cargill dat in Amsterdam soja-olie produceert, heeft daar voordeel van.

Cargill, actief in 66 landen met 73.000 werknemers, is een van de grootste verwerkers en leveranciers van agrarische producten en leveranciers voor grondstoffen voor de voedingsmiddelenindustrie in Europa. Verder handelt Cargill in cacao, granen, katoen, koffie, rijst, suiker, grondstoffen voor veevoer en aardolie. In Nederland haalde het bedrijf vorig jaar een omzet van acht miljard gulden.

Dirkzwagers vakgebied is de levering van plantaardige oliën, gewonnen uit sojabonen, zonnebloempitten en raapzaad voor de productie van margarine, sauzen, mayonaise en bakolie. “De prijs van de grondstof en dus ook de olie die we hier maken is nu vrij laag. Dat levert een goede vraag in de exportlanden op: Oost-Europa, Afrika, India en China. Je kunt het ook zien aan de export van bijvoorbeeld het eindproduct margarine. Nog nooit is er zoveel margarine naar Rusland gegaan als in het laatste jaar. De roebelcrisis kan daar wel verandering in brengen. Naar Azië is de export tot nu toe een beetje gedaald, in die landen is de consumptie van oliën afgenomen.”

Joop de Vries van ABN Amro denkt dat het lage prijsniveau voor metalen geen groot positief effect heeft op de Nederlandse industrie “omdat we hier geen groot verbruik van die grondstoffen hebben. Aluminium, zink en staal maken we zelf, dat exporteren we. Als je ziet dat aluminium in één jaar is gedaald van 1.600 tot 1.300 dollar per ton, zou dat een negatief effect op het bruto nationaal product moeten hebben. Maar dat effect wordt wel vertraagd omdat er zowel aan de inkoopkant als bij de verkoop van producten wordt gewerkt met contracten.”

Vorig jaar is het contract van Hoogovens voor de inkoop van ijzererts dat voor een heel jaar geldt, zo'n zes à zeven procent duurder geworden. De gedaalde staalprijs, die zich kan vertalen in lagere opbrengsten, zal bij Hoogovens pas volgend jaar merkbaar zijn, verwacht De Vries, omdat de leveringscontracten voor zes maanden tot een jaar gelden.

Volgens woordvoerder Stefan de Krijger van Hoogovens heeft de lage prijs voor primair aluminium een positief effect voor het bedrijf “omdat wij veel meer aluminium verwerken tot eindproducten, waarbij we waarde toevoegen, dan we aan ruw materiaal leveren.” Ook voor staal gaat die redenering op. Hoogovens heeft nog maar weinig last gehad van de gedaalde vraag in de Aziatische regio omdat het staalbedrijf veel van zijn kracht ontleent aan een hoger marktsegment: het verzinken van dun plaatstaal dat op rollen wordt verkocht aan de auto-industrie en het verven van platen die onder meer in gevelbekleding worden toegepast.

“Dit prijsniveau moet niet te lang aanhouden, het is niet goed voor onze industrie”, zegt directeur Wim de Graaff van Pasminco Budel Zink, de zinksmelter in het Noord-Brabantse Budel. “Midden vorig jaar stond de wereld-zinkprijs nog op 1.725 dollar per ton en vandaag op 1.017 dollar, een daling van zo'n 70 procent”, aldus De Graaff. “We houden het vol omdat we 90 procent van onze productie exporteren. De prijs is weliswaar laag, maar gelukkig is het erts ook goedkoop. De huidige stabiele koers van de dollar is belangrijk, die houdt ons overeind, want onze operationele kosten worden in guldens gemaakt. En de vraag is nu zó hoog dat het zink gewoon niet is aan te slepen, vooral door de bloei die de auto-industrie en de bouw doormaken. Dat betekent voor ons lage voorraden en interessante premies op het afgeleverde metaal.”

Ook bij Unilever hebben de lage grondstofprijzen een positief effect. Plantaardige oliën als soja- en raapolie, grondstoffen voor margarine, frituurvet, spijsolie en bakkerijvetten, zijn “redelijk goedkoop”, zegt een woordvoerder. “Dat is wel van belang, maar we kunnen niet alle kostenwijzigingen direct aan de klant doorberekenen.”

“Er zijn allerlei bewegingen op de markten te zien, die soms tegen elkaar ingaan, en wij zijn actief in 90 landen. Grosso modo is het effect neutraal”, aldus Unilever. Wel kan de Azië-crisis negatief uitpakken voor de dochterondernemingen in die regio, omdat de inkoop in dollars moet worden betaald. De lage koffieprijs zou op termijn wel kunnen leiden tot een voordeel voor de eindverbruiker.

Nederlandse automobilisten foeteren veel over de benzineprijzen, maar die reageren door de hoge accijnzen en heffingen maar mondjesmaat op de grondstoffennoteringen: ruwe olie en benzine op de internationale markt in Londen. Sinds eind vorig jaar is de prijs voor ruwe olie met eenderde gekelderd. Benzineverkopers zijn echter voor hun inkoop afhankelijk van de prijsnotering in Londen die een gemiddelde aangeeft van alle mee- en tegenvallers bij de raffinage. De grafiek laat zien dat de pompprijs voor Euro 95 - de meest getankte benzinesoort- met een kleine vertraging volgt op de productnotering in Londen. Op 13 augustus was de productnotering 24 cent per liter, de kosten voor de oliemaatschappijen bedragen 14 cent, de bruto-winst 3 cent en de marge voor de wederverkopers 11 cent (waarvan 9 cent opgaat aan kosten) is samen 52 cent. Het verschil tussen de pompprijs van 210 cent per liter Euro 95 en die 52 cent is 158 cent per liter, die geheel in de kas van minister Zalm verdwijnt: accijns, BTW, heffingen en 'ecotax'.