Paul van Vliet treedt op met het Residentie Orkest; Beethoven met een lekker basje

Paul van Vliet treedt de komende weken tien keer op met het Residentie Orkest. In de grote concertzalen zingt hij liedjes uit zijn shows. “Zo'n orkest denkt in golven, terwijl ik veel meer in ritme denk.”

September: Paul van Vliet met het Residentie Orkest. Première: 28/8 in de Dr. Anthon Philipszaal, Den Haag.

DEN HAAG, 26 AUG. Paul van Vliet staat in vrijetijdskleding voor het Residentie Orkest. Hij houdt de microfoon in de rechterhand, terwijl zijn linkerhand de microfoonstandaard omklemt. Soms kuiert hij naar een andere plek, naast zijn vaste pianist, of naast dirigent Jurre Haanstra. Maar steeds staat hij met zijn rug naar de nu nog lege Dr. Anton Philipszaal; hij zingt het orkest toe. Bij één liedje vraagt hij Haanstra een pauze in te lassen, “omdat daar een nieuw hoofdstuk begint.” De dirigent vertaalt het verzoek onmiddellijk voor de musici: rust op maat 9. Bij de meeste nummers gaat het echter in één keer goed.

Voor het eerst repeteerde Paul van Vliet gisteren met het Residentie Orkest voor de tour de chant die ze de komende weken tien keer verzorgen in de grote concertzalen, onder de titel September. De cabaretier zingt veel van zijn bekende liedjes en ook minder bekende, onder meer uit de show Waar waren we gebleven waarmee hij dit najaar aan een tweede seizoen begint. De melodietjes - merendeels van Rob van Kreeveld, Lex Jasper en zijn huidige muzikaal leider Ben van der Linden - werden voor symfonieorkest gearrangeerd door Jurre Haanstra.

Ook wordt in het concert gretig gebruik gemaakt van een parodistisch nummer uit de huidige show van Paul van Vliet, over de verpulpte klassieken die aan de lopende band tot klinken worden gebracht door de populaire producer Tom Parker. “Beethoven met een lekker basje en drums eronder”, smaalt de cabaretier. “In de show doen we dat met de synthesizer; nu kunnen we bij het orkest alle registers opentrekken. Heel gelikt en heel vet. Vreselijk, alsof zulke muziek van zichzelf niet goed genoeg is. Maar énig om te doen met zo'n groot orkest.”

Het contact ontstond toen hij een paar jaar geleden drie liedjes met het Residentie Orkest zong op de Haagse versie van de Uitmarkt. Nu heeft het orkest hem uitgenodigd voor een compleet concert, in het kader van de populaire projecten die Jurre Haanstra daar jaarlijks verzorgt. Van Vliet stelde als voorwaarde dat de muzikanten uit zijn eigen show een aparte plaats zouden krijgen in het orkest. Ze zitten vooraan: toetsen, gitaar, basgitaar en drums. Alleen de fluitist ontbreekt, omdat het orkest zelf al over fluitisten beschikt.

“Het grootste verschil”, zegt de cabaretier, “is dat ik gewend ben aan muzikanten die mij volgen. Als ik ze voorbij ga, halen ze mij vanzelf weer in. Met een symfonieorkest kan dat niet. Daar geldt een heel andere timing. Zo'n orkest denkt in golven, terwijl ik veel meer in ritme denk. Ik moet nu heel veel tellen, dat heb ik al gemerkt. Muziek lezen kan ik niet, nee. In moeilijke stukken zie je bij mij dan ook vaak pijltjes omhoog en omlaag staan, of een lange streep voor een langere noot. Of ik muzikaal ben, zou je aan Jurre moeten vragen, maar ik zing in elk geval zuiver.”

“Als hij niet muzikaal was”, reageert Haanstra, “dan zou ik dit orkest er niet aan wagen. En het is niet iets om zomaar even makkelijk uit je mouw te schudden, het vergt van iedereen een grote concentratie.”

Tijdens de repetities blijkt dat hij Van Vliets lyriek geregeld laat wiegen op een ijle laag van klanken uit de strijkerssectie, maar daarnaast ook heel wat ritmische capriolen vergt. Zo worden de aanzwellende strijkers en het spetterende koper in het frenetieke Mij kan niks gebeuren telkens tot een abrupt crescendo gebracht. Na afloop van dat nummer krijgt Haanstra een koor van tikkende strijkstokken te incasseren - het applaus van musici onder elkaar.

Van oudsher heeft Paul van Vliet de muziek in zijn shows een dragende rol gegeven, en zijn liedjes zijn vaak melodieuzer gecomponeerd dan het gemiddelde cabaretlied. “Muziek geeft een emotie die ik alleen met mijn teksten niet teweeg kan brengen”, zegt hij. “En ik hou niet van cabaretmuziek met zo'n paar van die pling-ploeng-akkoorden. Meestal heb ik met componisten gewerkt die een klassieke scholing hadden.”

Al in 1981 maakte Van Vliet een langspeelplaat met groot orkest, die eveneens September heette. “Die is redelijk verkocht, maar we merkten dat de mensen toch liever een plaat hadden met een hele show, inclusief de lachnummers. Later heb ik nog een tweede gemaakt, die geen succes was. Maar de laatste tijd is er een verandering gaande. Steeds vaker wordt er gevraagd naar teksten van liedjes. Mijn bundel met liedteksten loopt ook goed. Veel liedjes zijn een eigen leven gaan leiden.”

Het hergebruik van de titel September duidt volgens Paul van Vliet op zijn blijvende voorkeur voor dit jaargetijde: “Dan zijn de natuur en het licht op hun mooist, dan beginnen de theatertournees en dan is het strand weer van ons. Ik heb dat altijd gehad: het echte lentegevoel ontstaat bij mij in september. Bovendien ben ik 62, dus ook in the September of my years. Ik heb nog eenderde te gaan. Overdrachtelijk gesproken begint nu dus mijn laatste seizoen.”