Lectori salutem

De Achterpagina heeft alweer een poos zo'n grote vanzelfsprekendheid dat je bijna zou denken dat er nooit een tijd is geweest zonder. Maar het was natuurlijk een uitvinding. Wie die uitvinding ruim twintig jaar geleden gedaan heeft, weet ik niet. Misschien was het John Müller, die er in elk geval de allereerste redacteur van was. Diens verzoek om iets voor zijn pagina te schrijven, verheugde mij zeer.

John Müller hield zitting in café Scheltema, naast het gebouw van voorheen Het Algemeen Handelsblad, de laatste krant die het Amsterdamse centrum nog niet verruild had voor de stadsrand. Hij schepte er plezier in om 'zijn' medewerkers aan de Achterpagina, ook de tekenaars (m/v), zo nu en dan aan elkaar voor te stellen. In mijn herinnering is het altijd zomer rond John Müller, die op het terras de stukken in ontvangst nam en wellicht ook redigeerde.

Die stukken waren nog volop van papier. De medewerkers kregen een stapeltje voorgedrukte vellen, met behulp waarvan de regellengte en het aantal regels zo goed en zo kwaad als dat ging bewaakt werd. Vergis ik me niet, dan was het buitenste vel citroenkleurig, het doorslagvel erachter lichtgroen, en dat daar weer achter wit. Het laatste van die twee zichzelf calquerende vellen was voor de medewerker zelf. Schrijfmachines konden nog gaten in papier slaan, toen.

Sindsdien is er zoals bekend heel veel veranderd. Ik veranderde een beetje mee, maar op vrij grote afstand van de hoofdmacht. Ik ben nu geloof ik de enige medewerker die zich nog bedient van slappe floppy's (en van de bijbehorende brontosaurus). Maar het ding heeft een geheugen waar het integrale werk van Vestdijk - inclusief diens vertalingen - met gemak in kan, en zolang het niet kapot gaat vind ik het mooi genoeg zo. Ook hecht ik aan een wandelingetje of een fietstochtje, om het flopje te transporteren. Dom natuurlijk om al die zegeningen van de techniek zo lang het hoofd te blijven bieden.

Ik vermoed dat ik alle redacteuren, interimredacteuren en waarnemers- gedurende-vakanties van de Achterpagina heb meegemaakt. Niet dat ik nou zo heel erg veel schreef. Soms maar een stukje per jaar. In een geheimzinnig vet jaar ook wel eens negen. Het was, ook voor mijzelf, onvoorspelbaar wanneer het Achterpaginagevoel zou toeslaan. Een verder gelegen doel met die stukjes had ik niet. Al leverden zij me tot mijn verrassing wel een boekje op. De stukjes die ik over de geneugten van het aanvankelijk vaderschap had geschreven - de eerste tik, het eerste bloed, de eerste taal - bleken een samenhangend geheel te vormen.

Dat was mooi meegenomen, maar het veranderde mijn instelling niet. De eerste vijftien jaar, dat heb ik voor deze gelegenheid even uitgerekend, schreef ik gemiddeld vier stukjes per jaar. De afgelopen vijf waren dat er zesentwintig per jaar.

Men is meestal een jaar of drie redacteur van de Achterpagina. Men blijft als zodanig onzichtbaar, in die zin dat men zelf niet op haar of zijn eigen pagina schrijft. Maar natuurlijk is de ene redacteur de andere niet. Dus kan een lezer die daar oog voor heeft de Achterpagina met een zekere regelmaat zien veranderen van karakter, of stijl, of thematiek - hoe het maar heten moet. Het zou raar wezen als dat niet zo was.

De redactrice die mij het voorrecht der tweewekelijksheid schonk, maakte er in haar periode een heel klein beetje een literair tijdschrift van. Men heeft zo zijn voorkeuren. Zelf vond ik, als lezer, Adriaan Morriëns spaarzame bijdragen erg goed. Ik hoop vurig dat de serie waaraan Alfred Kossmann al een hele tijd bezig was, over 'de mannen uit wie hij bestond', posthuum gebundeld zal worden. Datzelfde hoop ik ook voor de vignetten van Hedda Martens: een in oppervlakte nog kleiner proza waarin wel degelijk op volle toeren uitgebeeld en opgeroepen en gedacht wordt is volgens mij ondenkbaar. Tot de literatuur waarvoor de Achterpagina als kraamkamer gefungeerd heeft, behoorde al in de jaren 1979 en 1980 de mooie serie van Gerrit Krol 'De schrijver, zijn schaamte en zijn spiegels'. Het siert de krant dat zij die ruimte biedt.

Het zal duidelijk zijn: deze plek ben ik kwijt en zal ik missen. Ik groet de lezer. Van wier en wiens bestaan ik regelmatig weet heb gehad. En hoop nog minstens tot mijn dood van dienst te mogen zijn; wederom ad hoc.