De nieuwe invasie

Ik zit met Nederlandse vakantiegangers in het vliegtuig. We bevinden ons boven het Caraïbisch gebied, belastingparadijs voor onze welgestelde bejaarden en favoriet bij de Nederlandse toerist.

Vorig jaar hebben we met z'n allen - volgens deze krant - twintig miljard aan vakanties besteed. Dus ook nu zal men zich daar beneden op onze komst verheugen. Het toestel zwenkt. Een panorama opent zich. Zeiltjes, uitgestrooid als snippers papier, trekken rimpels in het strakke blauw dat eilanden omzoomt. In de luwte van deze kusten herstelden piraten hun tuig, losten slavenhalers hun lading, rustten rebellen hun schepen uit en voelen toeristen zich nu de koning te rijk. Gevreesde, zwarte zeilen van kapers hebben plaatsgemaakt voor witte cruisers, slagschepen van een nieuwe invasie: het toerisme.

Sinds Columbus hier voet aan wal zette, heeft men zich niet over onze belangstelling mogen beklagen. Elke West-Europese natie trachtte hier zijn plek te veroveren. De meest lucratieve handel was die in wapens en slaven. De eilandbewoners, die ons op onze wenken bedienen, zullen ons hopelijk niet lastigvallen met hun verleden. Maar voordat we in de Dominicaanse Republiek landen en met een 'doeg' of 'doei' ons weegs gaan, volgt het toestel de kust van Haïti, dat hetzelfde eiland deelt en een van de armste landen ter wereld is. Toen de Fransen hier twee eeuwen geleden de scepter zwaaiden, exporteerde het cacao, suiker, koffie en katoen. In Cap François bloeiden salons en theaters. Toneelstukken kwamen uit Parijs. Ze weerspiegelden vooruitgang en nieuwe denkbeelden die het voorspel waren van de naderende Revolutie. Er waren zeventien negers op elke blanke. Ze kapten het suikerriet, ze kapten de bossen en kapten de 'patron'. De barbier kwam aan huis met vier negerslaven, van wie één inzeepte, de ander schoor, een derde knipte en een vierde de vloer aanveegde terwijl de baas toekeek en de kleinste fout met een dreun afstrafte, waarna de neger zijn werk voortzette zonder een spier te vertrekken, zelfs als hij van de grond moest opstaan. Een slaaf die zijn meester aanviel, kreeg de doodstraf. Als hij stal, werd hem een lelie op de rug gebrand. Voor een poging tot vluchten werden beide oren afgesneden.

's Nachts kwamen de negers bijeen in de bossen. Ze dansten 'indecent' bij het flakkerende licht van fakkels en het aanhoudend geroffel op trommels van de voodoo. Haat verenigde hen.

Met de val van de Bastille was Haïti de rijkste kolonie ter wereld en een van de meest geperverteerde bolwerken van racisme. Slavernij was weliswaar niet in overeenstemming met de principes van de Franse Revolutie, maar aan de andere kant vreesde men de economische consequenties die van afschaffing het gevolg zouden zijn. Robespierre raakte geïrriteerd: 'Laat de koloniën in de grond zakken, als we onze vrijheid en onze reputatie moeten opofferen om ze in stand te houden.'

Maar zo dachten de 'grands blancs' in Haïti er niet over. Ze versterkten hun regime. De slaven kwamen met hun eigen revolutie. Toussaint-Louverture, zoon van een Afrikaans stamhoofd, nam de leiding. Hij richtte zich niet alleen tegen de bazen, maar tegen iedereen die van slavenhandel profiteerde. Dat waren alle West-Europese landen.

In Frankrijk ontstond beroering. In Parijs nam een afgevaardigde in de Assemblée het woord: 'Aristocratie op grond van geboorte en religie eindigde in 1789! Rest de aristocratie op grond van huidskleur! Laten we vandaag de laatste stap zetten op weg naar gelijkheid!' Hij kreeg een daverend applaus.

Maar in Haïti meende de burgemeester van Cap François dat die gelijkheid prima was, maar dat men geen slaven voor veel geld uit Afrika liet halen om ze vrije burgers te maken. En de oorlog ging door. Toussaint won. Hij nam het hele eiland. Ook het Spaanse deel, Santo Domingo. Men kreeg ontzag voor deze merkwaardige man met zijn muts vol linten, zijn jas met gouden knopen en zijn borst versierd met de meest vreemdsoortige onderscheidingen.

Napoleon haatte negers. Hij zag in Toussaint en diens succes een zwarte karikatuur van zichzelf. Hij herstelde de inmiddels verboden slavenhandel en maakte het bezit van slaven opnieuw legaal. Hij stuurde de grootste vloot die in de geschiedenis van Frankrijk de oceaan was overgestoken. Aan het hoofd stonden generaal Leclerc en diens vrouw, Pauline. Ze was een zusje van Napoleon, tweeëntwintig jaar oud, mooi en vrolijk. Aan boord van het vlaggeschip had ze haar luxe salon, waar haar eigen artiesten optraden en de laatste hits uit de Franse hoofdstad klonken. Ze haatte haar uit Martinique afkomstige schoonzuster Josephine de Beauharnais en meende zeker keizerin van Zuid-Amerika te zullen worden. Ze barstte in snikken uit toen ze zag dat hun reisdoel Cap François bij aankomst in lichterlaaie stond. Wat kon deze mensen bezielen om hun 'Kleine Parijs' in brand te steken en onafhankelijk te willen zijn? Dat zou de Franse soldaten duidelijk worden in de 'infernale guerrilla'. Ze werden verrast door tegenstanders die de Marseillaise zongen en een bizarre aanblik boden. Gekleed in tutu's, in japonnen, in jassen met epauletten van hun meesters, getooid met mutsen, met hoeden, met pluimen, of kompleet naakt, leek hun oorlog op een carnaval waarin ieder zijn eigen rol of rang koos. Toussaint was niet te verslaan. Hij gebruikte de tot dan toe ongekende tactiek van de guerrilla. Verder hielp de gele koorts de Fransen uit de weg te ruimen, zoals de sneeuw dat later in Rusland zou doen. De grote overwinnaars van Europa liepen hier, aan de andere kant van de aarde, van de ene hinderlaag in de andere.

Het kwam tot onderhandelingen over vrede. Toussaint werd gepaaid, in de val gelokt, gekidnapped en op een schip naar Frankrijk gezet. Hij vereenzaamde. Hij vroor dood op een kasteel aan de Loire. Maar, naar men zegt, bleef zijn schim door de bergen dwalen en roept elk lied over vrijheid die tevoorschijn:

Eh! Eh! Bomba! Heu! Heu!

Canga, bafio Té...

Wellicht komen we hem te zijner tijd weer tegen. Het toestel is geland.