Weer zo'n tuimelende reuzenradiator

Vloekend schrik ik wakker. Rotzakken! Ik kijk op mijn wekker: kwart voor zeven. Iedere morgen is het prijs, maar zo zout als vandaag hebben we het nog niet gegeten.

KNAL! DREUN! Ik vlieg overeind. Natuurlijk schuif ik niet het gordijn open. Dan hebben ze helemaal hun zin. In mijn pyjama gluur ik door de kier naar de overkant van de gracht, waar het inwendige van een pas verkocht pand door slopers wordt aangepakt.

Net wat ik dacht: vergenoegde kerels met een enorm gevaarte dat van vierhoog van de stelling wordt gedonderd.

KNAL! Weer zo'n loodzware reuzenradiator in de container. Ons hele huis schudt. En die kerels maar grijnzen en vooral kijken of de gordijnen opengaan van al die avond- en nachtwerkers die dachten dat ze nog even lekker konden pitten.

Die mannen zijn kwaad dat ze vroeg op moeten. En hoe reageer je die woede af? Je maakt iemand anders wakker. Niet één morgen, iedere morgen. En niet één mens, maar een hele buurt. Leer mij die jongens kennen! Daar wordt na acht uur geen radiator meer gestort. En als ze er toch nog een paar kwijt moeten, bewaren zie die voor morgenochtend. Wedden?

Zal ik er straks iets van zeggen? Alsof ik dat durf. En alsof dat helpt.

Het hielp ook niet bij die knullen die laatst de kade moesten repareren. Ten behoeve van dat werk waren in de gracht dennenstammen geheid die ongelijk van hoogte boven het water uitstaken. En iedere morgen om precies zeven uur, zaagde een van die kadejongens met een kettingzaag van elke stam een dunne schijf af. De stammen bleven ongelijk van hoogte, ze werden alleen elke dag twee centimeter korter. Niet meer, want die knaap wilde ons nog wekenlang uit de slaap knetteren. En dat heeft hij gedaan ook.

's Middags loop ik langs de bouw. Zal ik toch? Ik zie mij al omringd door vijf van die kerels: “Zeg het eens, vrouwtje?”

Daar staat er één in zijn eentje. Tegen één durf ik wel.

“Hoeveel radiators hebben jullie nog boven staan?”

Fout, helemaal fout! Ik had met een maagzweer op de proppen moeten komen. Of beter nog, met een ziek kind! De straf volgt dan ook onmiddellijk.

“Hoezo?” vraagt de bouwvakker.

Dan lacht hij vals: “Bent u er wakker van geworden?”