Oslo staat vrede in de weg

Vijf jaar na de ondertekening van de akkoorden van Oslo bevindt het vredesproces in het Midden-Oosten zich in een impasse. De oorzaak daarvan ligt niet alleen bij premier Netanyahu, maar ook in de vredesakkoorden zelf, meent Maarten Jan Hijmans.

Het gaat niet goed met het Oslo-proces. Bijna op de kop af vijf jaar na de ceremoniële ondertekening van wat toen door veel mensen als het begin van een verzoening tussen Israeliërs en Palestijnen werd gezien, is niet zozeer sprake van een oplossing als misschien wel meer van een geleidelijke transformatie van het Palestijns-Israelische conflict naar een nieuwe, gecompliceerde fase.

Veel van de in de Oslo-akkoorden besloten beloftes zijn niet waargemaakt. Economisch gaat het de Palestijnen slechter dan ooit, als gevolg van de structurele afsluiting van de bezette gebieden en het niet van de grond komen van de projecten voor een corridor tussen de Westoever en Gaza, of voor een haven en een vliegveld in Gaza. Jeruzalem is een constante steen des aanstoots, doordat Israel zijn aanspraken op de stad kracht bijzet met projecten als het tunneltje onder de Tempelberg, bouwplannen in Palestijnse wijken, en laatstelijk het plan voor de creatie van een stadsprovincie Groter-Jeruzalem, waarin de Palestijnse districten zullen worden ingeklemd als vliegjes in een web. De geplande terugtrekking van het Israelische leger is slechts voor een heel klein deel gerealiseerd.

Niet bekend

Dat die grenzen na Oslo zo ruim zijn geworden, is zeker niet alleen zijn werk. Het heeft om te beginnen te maken met het feit dat hij door niemand op zijn vingers wordt getikt. Niet door de enige na de Koude Oorlog overgebleven supermacht, de VS, met een Midden-Oostenbeleid dat in de woorden van de Palestijns-Amerikaanse politicoloog Nasser Aruri “gestaag verder Israeliseert”. Niet door een Arabische wereld die na de Golfoorlog (financieel) zwakker, afhankelijker en verdeelder is dan ooit. Niet door Europa dat het zoals gewoonlijk laat bij wat in diplomatieke taal gegoten afkeurende kanttekeningen. Niet door Rusland dat zijn handen vol heeft aan de zieke roebel.

Maar veel meer nog ligt de verruiming van Netanyahu's marges waarschijnlijk aan het karakter van de akkoorden van Oslo zelf. De vloeibare manier waarop ze waren geformuleerd, de euforie waarin ze werden gelanceerd en de onduidelijkheden over de vraag tot wat voor een oplossing ze eigenlijk de opmaat vormden, lijkt tot een soort 'stille evolutie' in het denken over het conflict te hebben geleid.

Vóór Oslo heerste in de wereld min of meer de algemene opvatting dat een vredesregeling in het Midden-Oosten op een zekere mate van rechtvaardigheid moest zijn gebaseerd. Een Palestijnse erkenning van Israel zou - in overeenstemming met resolutie 242 van de Veiligheidsraad - moeten worden gevolgd door een Israelische terugtrekking uit nagenoeg het gehele bezette gebied. De nederzettingen en de Israelische annexatie van Oost-Jeruzalem werden als illegaal beschouwd en aan de Palestijnse aspiraties naar onafhankelijkheid moest op enigerlei wijze recht worden gedaan.

Door 'Oslo'is de zaak echter op zijn kop gezet. De bestaande bezetting, de status quo, werd in de akkoorden juist als uitgangspunt genomen voor een overgangsfase waarin niet al te duidelijk afgebakende Israelische 'redeployments' zouden plaatsvinden en een qua bevoegdheden duidelijk aan Israel ondergeschikte Palestijnse Autoriteit zou worden gecreëerd. Die overgangsfase had een klimaat moeten scheppen voor een eindfase van de onderhandelingen (die overigens al in mei 1997 had moeten beginnen) waarin de echt belangrijke noten zouden worden gekraakt: de uiteindelijke omvang van het Palestijnse gebied, de vorm van een Palestijnse entiteit (staat of geen staat), de toekomst van de nederzettingen, oplossingen voor de problemen van Jeruzalem en van de Palestijnse vluchtelingen buiten Palestina.

Het kan zijn dat de Palestijnen hebben gedacht dat, als het oude vijandbeeld maar eenmaal had afgedaan, via dit model een eigen dynamiek op gang zou kunnen worden gebracht van een proces dat zou leiden naar een uiteindelijke verzoening in het bijna een eeuw oude conflict. Maar dat is niet gebeurd. Ondanks de aanvankelijke euforie rond de handdruk van Arafat en Rabin, zijn de standpunten niet naar elkaar toegegroeid. De opiniepeilingen wijzen weliswaar uit dat een meerderheid van de Israeliërs vóór Oslo is, maar het besef dat voor een écht vredesakkoord een dienovereenkomstige prijs moet worden betaald - de prijs van een historisch compromis waarin het onrecht dat de Palestijnen is aangedaan zo goed mogelijk wordt gerectificeerd - is allerminst doorgebroken.

Bij gebrek daaraan heeft Oslo daarom de facto de ruimte geschapen voor een heel andere dynamiek dan waarop de Palestijnen hadden gehoopt. Een dynamiek waarbij met terugwerkende kracht de bestaande bezetting een veel acceptabeler karakter heeft gekregen en als het ware deels is gelegitimeerd. Behalve de Palestijnen neemt niemand nog de moeite te spreken van het illegale karakter van de nederzettingen of de annexatie van Jeruzalem. De hele notie van resolutie 242 en het principe van 'de ontoelaatbaarheid van het verkrijgen van gebied door middel van geweld' is in de internationale consensus verdrongen door een andere notie, namelijk de notie dat de eindfase van de onderhandelingen tussen de Israeliërs en Palestijnen zelf de verlossende woorden moet brengen. Ongetwijfeld is dat een kijk die past in de pragmatische, van ideologieën gezuiverde jaren negentig. Maar helaas wordt daarbij uit het oog verloren dat het wel een Israelische Goliath en een Palestijnse David zijn die straks aan de onderhandelingstafel zullen zitten en dat het wat wonderlijk is dat beide partijen daar claims kunnen presenteren alsof het om gelijkwaardige rechten gaat.

Het is achteraf misschien de vraag of dit de dynamiek is geweest die Peres en Rabin destijds hebben voorzien, of dat het zo is gegroeid. Een feit is in ieder geval dat ook onder hun bewind - en ook na 1993 - verder is gewerkt aan de planning en het bouwen van een infrastructuur die verraadt welke delen van de Westoever Israel bij een eindregeling wil behouden, en welke zullen worden afgestaan aan de Palestijnse Autoriteit. Het was niet meer dan logisch dat Netanyahu hierop zou voortbouwen en met een eigen planning zou komen. Het gaat te ver om een opsomming te geven van alles wat er de afgelopen vijf jaar aan planningsactiviteiten is vertoond, maar gezegd moet worden dat ook die planning de afgelopen vijf jaar een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan de dynamiek van Oslo. Zelfs is er op dat gebied tussen de Arbeidspartij van Shimon Peres en inmiddels van Ehud Barak en de Likud een consensus gegroeid in de vorm van een plan dat in 1996 werd uitgewerkt door Peres' volgeling Yossi Beilin en de leider van de Likudfractie in de Knesset, Michael Eitan.

De omtrekken die uit al deze plannen naar voren komen zijn die van een Gruyère-kaas, waarin Palestijnse enclaves de gaten voorstellen. Israel behoudt ten minste 60 procent van het gebied, Jeruzalem en de belangrijkste infrastructurele voorzieningen. Op geen enkele wijze valt in te zien hoe uit de verspreide Palestijnse bantoestans, die beroofd zijn van een onderlinge samenhang, hun belangrijkste stedelijke centrum Jeruzalem, landbouwgrond en andere middelen van bestaan, ooit de omtrekken zouden kunnen oprijzen van een eigen staat. Veeleer rijst het beeld op van een Groot-Israel dat behalve de Arabieren aan de andere kant van de 'groene lijn', nu ook de bevolking van Gaza en de Westoever in zijn midden heeft geïncorporeerd. Het is niet onwaarschijnlijk dat, als Oslo tot een dergelijke ontknoping leidt, de Palestijnse strijd voor onafhankelijkheid dan een heel nieuw karakter krijgt: die voor gelijkberechtiging in een binationale staat. In feite is dat een oud ideaal van de PLO, dat in de jaren zeventig als gevolg van de toen bestaande politieke realiteit werd ingeruild voor het model van twee staten. De eerste geluiden dat het die kant op kan gaan zijn al gehoord. Onder anderen de Palestijn Edward Saïd en de Israeliër Meron Benvenisti denken dat de situatie hoe dan ook niet meer kan worden teruggedraaid.

Oslo heeft nog een jaar te gaan. En Yasser Arafat werkt intussen aan een eigen 'ploy' om de akkoorden alsnog in zijn voordeel te gebruiken. In de wetenschap dat de onderhandelingen hoe dan ook niet meer kunnen leiden tot een akkoord dat beantwoordt aan de Palestijnse aspiraties, bereidt hij zich voor om op 5 mei 1999, de datum waarop de rechtsgeldigheid van Oslo verloopt, vanuit zijn huidige territoriale basis een onafhankelijke staat uit te roepen met Jeruzalem als hoofdstad. Die staat, die dan niet meer geleid zou worden door de Palestijnse Autoriteit die op die datum haar rechtsgeldigheid verliest, maar door de PLO, zou hernieuwde territoriale claims moeten laten gelden. Een groot deel van de activiteiten van de Palestijnse president zijn erop gericht voor zijn plan brede internationale steun te verwerven. Of dat zal lukken is verre van zeker. Zeker is voorlopig alleen de constatering dat Oslo geen oplossing heeft aangedragen, maar de zaken alleen maar verder heeft gecompliceerd.