Kampioen uit 1958

Vorige week heb ik het oude DOS teruggezien. Dat was het elftal dat veertig jaar tevoren kampioen van Nederland was geworden door in een beslissende wedstrijd in de Nijmeegse Goffert sportclub Enschede met 1-0 te verslaan.

Niet iedereen leeft meer van die ploeg: verdediger Jacques Westphal en Cor Luiten, de linksbuiten, zijn overleden. En Frans de Munck - 'een wonderlijke vogel' zoals hij in het jubileumboekje wordt genoemd - hield zich buiten die kostelijke reünie. Maar de overigen waren er: Hans Kraaij, Louis van den Bogert, Wim Visser, Gerrit Krommert, Dirk Lammers, Ton van der Linden, Andries Nagtegaal, Martin Okhuijsen en Henk Temming.

Wat ik zo aardig vond was dat dit DOS-elftal niet overwegend uit sterren bestond. Zeker: Van der Linden met zijn 24 interlands was een ster, Frans de Munck, die nog voor de FC Köln speelde, was een ster, maar de overigen niet, al zou de toen twintigjarige Hans Kraaij later een zeer bekende Nederlander worden.

Hans hield trouwens een heel aardig speechje. “Wij hadden geen ploeg die overliep van talent, maar dat kampioenselftal had een perfecte balans.” Kraaij brak al op zeer jeugdige leeftijd door. Hij was nog maar 16 toen hij in het eerste elftal van DOS kwam te staan. “Een sobere verdediger”, noemde hij zichzelf. En hij had er nog aan kunnen toevoegen dat hij onverschrokken was. In het door de sportjournalist Hans van Echtelt geschreven herinneringsboekje vertelt Kraaij hoe hij door Jaap van der Leck (onder meer trainer van het Nederlands elftal) is ontdekt. “Het grootste succes was met Pepi Gruber (Oostenrijkse trainer, leeft niet meer), die ook Frans de Munck naar de Galgenwaard haalde.”

Zo'n fantastische doelman als De Munck heeft Kraaij later nooit meer gezien. “Frans was sterk in alle facetten van het keepersvak en voor ons betekende zijn komst de slagroom op de cake. En als hij toch ooit iets fout deed, keek hij meteen naar een ander. We hadden natuurlijk Tonny van der Linden al in huis, die op de trainingen onvergetelijke dingen liet zien. Hij was een vedette, maar miste de nukken die bij die status horen.”

Dat het ook vroeger toen de sport voorop stond en de commercie nog nauwelijks te bespeuren viel, niet alles rozengeur en maneschijn was, blijkt uit het verhaal van de lege enveloppen. Het kwam nauwelijks ter sprake bij deze reünie, maar destijds was het triest nieuws. Toen Van der Linden bij DOS stopte, kreeg hij zogenaamd een enveloppe-met-inhoud van zijn club. Toen hij hem openmaakte, bleek er niets in te zitten! Geen wonder dat Van der Linden een tijd lang geen behoefte had aan contact met mensen die hem zo behandeld hadden.

Maar de tijd heeft intussen zijn genezend werk gedaan. Er heerst sinds kort weer een sfeer waarin de oudjes van vroeger met respect worden behandeld. Van der Linden doet voor de FC Utrecht scoutingswerk en bespeurt weer iets van de grote familie waarvan hij destijds deel uitmaakte. Een van de aardigste dingen bij DOS was dat er nauwelijks rivaliteit onderling bestond. De waterdragers waren niet jaloers op de vedetten. Zo maakte de supersnelle midvoor Dirk Lammers ongeveer evenveel doelpunten als de crack Van der Linden. Maar misgund werd het hem niet. En Henk Temming joeg een aantal jaren achter het nationale elftal aan, haalde het net niet maar bleef de hardwerkende clubvoetballer die hij tevoren ook al was. Ik vond het heel leuk dat bijna-complete elftal van veertig jaar tevoren daar te zien staan, met bloemen en herinneringen. Een goed stel uit een allang vervlogen tijd.