Jeugdboekenschrijfster Anne Provoost wint de Gouden Zoen; “Ons uiterlijk bepaalt ons leven”

De Vlaamse schrijfster Anne Provoost krijgt vandaag de Gouden Zoen voor haar roman De Roos en het Zwijn, volgens de stichting CPNB het beste boek voor kinderen vanaf twaalf jaar van dit jaar. Het boek is gebaseerd op het sprookje Belle en het beest. “Misschien zouden we mijn hoofdpersonage nu wel schizofreen noemen”.

ANTWERPEN 25 AUG. De tienjarige Anne Provoost kon het dikke sprookjesboek van haar tante feilloos, met haar ogen dicht, op de goede plaats openslaan. Opgekruld in een leunstoel las ze haar lievelingssprookje, Belle en het beest, steeds opnieuw. Eenmaal volwassen geworden zapte ze op een hotelkamer in Brussel eens achteloos langs de kanalen. En daar was het inmiddels vergeten verhaal opeens weer, in een Frans animatiefilmpje. Het liet Provoost (34) niet meer los.

De fascinatie van de Vlaamse jeugdboekenauteur leidde tot De Roos en het Zwijn. Het is een hoogstpersoonlijke hervertelling van het oude sprookje, dat voor het eerst werd opgetekend in de zestiende eeuw. Provoosts intrigerende boek, waarin de Schone van jongs af aan met het Beest in velerlei gedaantes verkeert, wordt vandaag bekroond met de Gouden Zoen. Het is de jaarlijkse prijs van de stichting CPNB voor het beste boek voor kinderen vanaf twaalf jaar.

“Belle en het beest is anders dan andere sprookjes, minder eenduidig. Dat voelde ik als kind al,” zegt Anne Provoost in de lichte tuin van haar huis in Antwerpen. “Er komen meer personages in voor. Niet een Hans, een Grietje en een heks, of een Doornroosje en een prins, maar drie zussen en een beest en een vader... Ook loopt de vertelling niet van thuis door het bos naar de plaats van onheil, zoals gebruikelijk. Belle en haar vader reizen heen en weer, tussen hun huis en de boze buitenwereld.”

Net als in het oorspronkelijke sprookje kan de schoonheid van Provoost in een spiegel zien wat haar vader overkomt en, later, hoe het het beest vergaat als zij niet bij hem is. Contact tussen personages als dat eigenlijk niet kan: “Heerlijk voor een schrijver” verzucht Provoost.

Ze situeerde de vertelling in een middeleeuws Antwerpen. Haar schoonheid, Rosalena geheten, weet zich omringd door elfen en engelen. Het is het gevolg van de strijd in haar innerlijk tussen heidendom en katholicisme. Schoonheid en lelijkheid, goed en kwaad, mens en dier; tegenstellingen beheersen De Roos en het Zwijn. Het boek is opvallend hecht geconstrueerd. Anne Provoost weefde het dilemma van het sprookje alle kanten op, als een spin haar web. Alles krijgt zijn keerzijde.

Lichaam en geest zijn niet te scheiden, benadrukt de schrijfster. “Je uiterlijk bepaalt hoe mensen zich tegenover je gedragen, hoe je de wereld ziet. Het is goedkoop te zeggen dat uiterlijk niet belangrijk is. We zijn veroordeeld tot hoe we er uitzien. Rosalena's schoonheid keert zich tegen haar. Ze gelooft dat het haar eenzaam maakt. Of dat een excuus is of de werkelijke reden, moet de lezer uitmaken.”

Hoe de schoonheid er voor haar geestesoog uitzag? Provoost twijfelt: “Ze was zo mooi dat ik me haar niet meer voor kon stellen. De goddelijke perfectie. Anderzijds leek ze misschien wel precies op ons. Elk van ons zou immers een wonderschone verschijning zijn in de Middeleeuwen. We hebben nog tanden en ons gelaat is niet geschonden door pokken of andere ziektes. Misschien is Rosalena voor lezers van nu wel meer een gewone verschijning dan voor haar tijdgenoten.”

Een roman uitsluitend voor jongeren is De Roos en het Zwijn zeker niet. Wel sluit het boek aan bij hét probleem van de doorsnee puber: zijn uiterlijk. Ook gaat het boek over een meisje dat volwassen wordt, haar seksualiteit ontdekt, ofschoon dit thema nergens expliciet aan de orde komt. Actueel of geëngageerd is De Roos en het Zwijn niet. Dat is een verschil met Provoosts eerdere jeugdboeken, zoals het zeer succesvolle Vallen (1994), over de verleidelijkheid van ultrarechts.

De schrijfster benadrukt zich niet tot éen genre te willen beperken. Dat er momenteel meer jeugdboeken verschijnen gebaseerd op sprookjes en oude verhalen, zoals Wim Hofmans Zwart als inkt (Gouden Griffel 1998) en Peter van Gestels Mariken (Gouden Uil 1998) komt volgens haar voort uit een verlangen naar meer magie in het leven. Provoost: “Een klein kind weet tegenwoordig al wat bliksem is, wat donder. Dat is geruststellend, maar ook een beetje saai. Er blijven zo weinig geheimen over.”

De essentie van De Roos en het Zwijn blijft de keuze tussen de vader en de minnaar, als in het sprookje. “Voor de moderne lezer lijkt die keuze niet zo moeilijk,” zegt Provoost. “Wij vinden het normaal om ons eigen leven op te bouwen als we er eenmaal geestelijk en lichamelijk klaar voor zijn. Maar in ons onderbewustzijn blijft het een strijd. Ik heb het conflict nog aangescherpt. Rosalena moet kiezen tussen haar geliefde, of haar vader en haar kind.”

Het kind komt voort uit de nachtelijke bezoeken van wat Rosalena aanvankelijk houdt voor een bosgeest. Die heeft een huid vol oneffenheden en harige plekken, die van plaats kunnen veranderen. Hij bemint haar elke nacht tweemaal, met enorme kracht en oneindige vurigheid. Via een list ontdekt Rosalena dat haar Janusachtige minnaar in werkelijkheid bestaat uit haar twee door pokken geteisterde zwagers. De schoonheid baart een gedrochtelijk kind met twee gezichten, een Siamese tweeling.

Voorspelbaar voor de lezer wordt het allemaal geenszins, daarvoor is Provoost te geraffineerd. Hoe alles in dit boek met alles samenhangt, dringt pas na lezing echt tot je door. “Ik fantaseerde binnen mijn eigen ruimte en tijdgrenzen,” zegt ze zelf. “Het boek heeft een intern realiteitsgehalte. Echte fantasie is het niet, daarin kan alles zomaar uit de lucht komen vallen. Mijn hoofdpersoon ziet woudgeesten en elfen. Maar dat speelt zich af in haar geesteswereld. Misschien zouden we haar nu wel schizofreen noemen.”

Met behulp van de spiegel kan Rosalena wel de toekomst voorspellen: “Daar heb ik me om verkneukeld, want het is een breuk in de afpraak met mezelf. En in het dagelijks leven geloof ik niet in helderziendheid.”

Provoost is consequent nagegaan of wat ze bedacht echt gebeurd zou kunnen zijn. De pokkenplaag die in De Roos en het Zwijn voorkomt, heeft inderdaad plaatsgevonden. De boot vol exotische dieren die in de Antwerpse haven aanmeert, is er misschien echt geweest. “Er heeft zeker een echte olifant door de stad gewaggeld. Een knobbelzwijn, Rosalena's huisdier in haar kinderjaren, viel heel moeilijk in leven te houden. Maar het kon. Daarom paste het in de logica van mijn boek. Voor een kangoeroe had ik nooit gekozen. Australië was nog niet ontdekt.”