Het gaat om nemen en delen van verantwoordelijkheid

Het besef van wederzijdse afhankelijkheid tussen individu en samenleving, tussen overheid en markt, is de rode draad in de regeringsverklaring die minister-president Kok vanmorgen in de Tweede Kamer heeft afgelegd. Hiermee presenteerde het tweede paarse kabinet van PvdA, VVD en D66 zich officieel aan de volksvertegenwoordiging. Een deel van deze verklaring drukken we hierbij af.

De volledige tekst van de regeringsverklaring is te lezen op Internet: www.nrc.nl

Vandaag presenteert zich aan uw Kamer het tweede kabinet bestaande uit bewindslieden van PvdA-, VVD- en D66-huize. Staat u mij toe allereerst een woord van dank uit te spreken aan het adres van de ministers en staatssecretarissen die in dit kabinet niet zijn teruggekeerd. Zij allen hebben belangrijke bijdragen geleverd in het belang van ons land. Mede dankzij hun inzet en inspanningen heeft het vorige kabinet zijn centrale doelstellingen kunnen bereiken en is een voortzetting van de coalitie mogelijk gebleken.

Ook de beide vice-premiers van het vorige kabinet maken geen deel uit van het kabinet dat zich thans aan u presenteert. De heer Dijkstal nam het leiderschap van de fractie van zijn partij in de Tweede Kamer op zich. De heer Van Mierlo beëindigde zijn loopbaan als minister, maar ook als lid van uw huis. Hem komt een bijzonder woord van waardering toe voor de prominente bijdragen die hij de afgelopen 32 jaar aan de nationale en internationale politiek heeft geleverd. De beide oud-vice-premiers wil ik op dit moment en op deze plaats, dank zeggen voor hun aandeel in het tot een goed einde brengen van - wat door velen werd gezien als een hachelijke onderneming - het eerste paarse kabinet.

Bij de verkiezingen van 6 mei jl. verwierven de drie coalitiepartijen gezamenlijk brede steun. Hun zetelaantal in de Tweede Kamer steeg van 92 naar 97. Tegen deze achtergrond en gelet op de gekozen inzet tijdens de verkiezingscampagne lag een voortzetting van de coalitie voor de hand. Het zetelverlies van één van de drie coalitiepartijen riep direct na de verkiezingen de vraag op of door die partij een volwaardige deelname aan een nieuw te vormen kabinet mogelijk werd geacht. Onder leiding van informateur De Vries, die ik hierbij gaarne dank zeg voor zijn werkzaamheden, werd die vraag bevestigend beantwoord en werd vastgesteld dat onderhandelingen over de vorming van een kabinet van gelijke samenstelling als het vorige reële kansen zouden bieden.

Onder leiding van drie informateurs, mevrouw Borst, de heer Zalm en ondergetekende, zijn vervolgens programmatische besprekingen gevoerd die hebben geleid tot een ontwerp-regeerakkoord waarmee de fracties van PvdA, VVD en D66 konden instemmen. In die besprekingen is de bereidheid gebleken om op dezelfde basis met elkaar samen te werken als in de afgelopen periode: in onderling respect voor elkaars standpunten en opvattingen.

Het is tegen deze achtergrond dat het regeerakkoord moet worden beoordeeld. Het regeerakkoord is vooral agenderend en kaderstellend. Het zal in een open dialoog met de volksvertegenwoordiging op vele punten worden ingevuld en uitgewerkt. Aldus wordt uitdrukking gegeven aan de verhouding tussen regering en Staten-Generaal zoals de regering deze ziet. Ten behoeve van het overleg is heden een overzicht aan uw Kamer gezonden van de wetgeving die naar verwachting uit het regeerakkoord voortvloeit. De samenstelling van het kabinet geeft een aantal veranderingen te zien, los van de 'nieuwe gezichten'. Met de benoeming van een minister voor Grote Steden- en Integratiebeleid wordt de bijzondere aandacht benadrukt die dit kabinet wil schenken aan de samenloop van vraagstukken en perspectieven op deze terreinen. De benoeming van een staatssecretaris, speciaal belast met Koninkrijksrelaties, onderstreept het belang dat wordt gehecht aan goede betrekkingen met de Nederlandse Antillen en Aruba.

Het bijzondere gewicht dat in deze periode zal uitgaan naar het bereiken van een betere balans tussen zorg en arbeid, sociale participatie en vrije tijd voor mannen én vrouwen, vormt de aanleiding voor de benoeming van een tweede staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, tevens belast met de coördinatie van het emancipatiebeleid.

Met het oog op de toegenomen omvang van de werkzaamheden is thans ook aan de ministeries van Verkeer en Waterstaat en van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij een staatssecretaris toegevoegd. Besloten is tot een versterking van de positie van staatssecretarissen. Dit komt met name tot uitdrukking in de nieuwe vervangingsregeling van ministers, waarbij de staatssecretaris in de regel de eerste vervanger van de minister is.

De tijden veranderen en mensen veranderen met hen. Veranderingen treden met een steeds hogere snelheid op en doen zich voor op vrijwel alle gebieden van menselijke activiteit. Als gevolg van de ontwikkelingen op het gebied van informatie- en communicatietechnologie en mobiliteit laten zij zich aan traditionele grenzen steeds minder gelegen liggen.

Mondialisering is een reëel begrip geworden. Op ons vermogen om positief in te spelen op de ongekende perspectieven en uitdagingen daaraan verbonden, maar evenzeer op ons vermogen om negatieve aspecten tijdig te onderkennen en effectief te bestrijden, wordt een zware wissel getrokken. De veranderingen bieden talloze nieuwe mogelijkheden, maar er kan ook een bedreigende werking van uitgaan. Zij kunnen bij menigeen gevoelens van angst of onzekerheid inboezemen. De overheid kan de nieuwe uitdagingen en problemen niet alleen aan. Een ieder heeft, vanuit de eigen mogelijkheden en verantwoordelijkheden, een bijdrage te leveren om ons land in een veranderende en kleiner wordende wereld een passende plaats te geven en een passende rol te doen vervullen.

Eén van de hoofdopgaven is om in de alom aanwezige dynamiek telkens de juiste balans te vinden en te bewaren. Daarbij gaat het zowel om het nemen en dragen van persoonlijke verantwoordelijkheid als om het tot uitdrukking brengen van verbondenheid, saamhorigheid en gemeenschapszin. Het gaat om het benutten van kansen op individuele ontwikkeling en ontplooiing met behoud van respect voor en solidariteit met anderen. Het gaat om de inzet van een ieder voor een duurzame samenleving die wij, in een betere staat dan waarin wij haar aantroffen, aan volgende generaties kunnen doorgeven. Het besef van gezamenlijke verantwoordelijkheid, alsmede van wederzijdse afhankelijkheid tussen individu en samenleving, tussen overheid en markt, tussen economie en ecologie, behoort in ons denken en handelen blijvend centraal te staan.

De overheid heeft haar eigen plaats en moet van daaruit haar verantwoordelijkheid nemen. Zij beschikt over bijzondere instrumenten om onze samenleving beter toe te rusten voor de toekomst. Zonder een stevig draagvlak in de samenleving en zonder de inzet en het normbesef van vrije, zelfstandige burgers kan de overheid evenwel niet voldoende effectief zijn. Het gaat derhalve om het nemen en om het delen van verantwoordelijkheid.

De beleidsvoornemens voor deze kabinetsperiode zijn erop gericht om, voortbouwend op wat in vorige periodes tot stand is gebracht, de capaciteiten en potenties die in onze samenleving aanwezig zijn ten volle te benutten. Dat betekent dat er ruimte wordt geboden voor initiatief en creativiteit en dat nieuwe wegen niet worden geschuwd. Nauw daarmee verbonden is het besef dat een echte smenleving betrokkenheid en solidariteit van alle burgers vereist. Overheid en samenleving staan gezamenlijk voor de taak om op dit nieuwe breukvlak van twee eeuwen aan die verantwoordelijkheid inhoud te geven.

Veranderingen in de samenleving stellen hoge eisen aan de kwaliteit en het functioneren van het openbaar bestuur. Een goede vertrouwensrelatie tussen overheid en burger dient voorop te staan. Zowel voor de kwaliteit van de besluitvorming als voor het draagvlak bij de uitvoering van besluiten is betrokkenheid van de burger onmisbaar.

Daarom willen wij werken aan nieuwe vormen van democratisering van het bestuur. Daarbij gaat het om de relatie tussen kiezer en gekozene, maar ook om de vormgeving van het bestuur. De burger vraagt immers niet alleen om invloed, maar ook om resultaat. Hij moet kunnen rekenen op een overheid, die haar gezag waarmaakt door daadkracht en voortvarendheid te paren aan zorgvuldigheid en betrouwbaarheid. De overheid in al haar geledingen heeft de taak zorg te dragen voor een publiek domein dat voor de burger veilig en betrouwbaar is.

[...]

Onze democratische rechtstaat wordt geschraagd door gedeelde waarden en normen, in wederzijds respect tussen burgers. Persoonlijke integriteit, rechtmatig eigendom van goederen en veilige toegankelijkheid van de publieke ruimte behoren te worden gewaarborgd. Schendingen van deze waarborgen dienen - binnen het kader van onze rechtsstaat - consequent te worden tegengegaan.

De staat is geen zedenmeester. Deze vaststelling mag de overheid er niet van weerhouden zelf waarden en normen uit te dragen, en er anderen op aan te spreken. Gemeenschapszin en burgerzin zijn waarden van vitale betekenis. Burgers hebben recht op de zekerheid dat de overheid hen steunt en beschermt wanneer het erop aankomt, doch dienen, wanneer nodig en mogelijk, ook zelf hun verantwoordelijkheid te nemen. De overheid heeft een bijzondere, maar geen exclusieve verantwoordelijkheid voor veiligheid. Veiligheid gaat ons allen aan. De ingezette en aanvullende verbeteringen zijn erop gericht Nederland veiliger de 21ste eeuw te doen ingaan. Een bron van ernstige zorg blijft het geweld op straat. De regering zal erop inzetten dat het geweld op straat met kracht wordt aangepakt en teruggedrongen. De straat moet, waar dat nog onvoldoende het geval is, worden teruggegeven aan de bewoners.

Van groot belang is de politieorganisatie. De politieorganisatie zal beter worden toegerust om haar werk te kunnen doen, onder andere door een opvoering van de sterkte van het uitvoerend apparaat. De politieorganisatie zal transparanter worden en beter worden aangestuurd, zowel landelijk als regionaal. Veiligheid vraagt om consequente rechtshandhaving, maar ook, daarnaast en daaraan voorafgaand, om preventieve maatregelen. Vooral het voorkomen van jeugdcriminaliteit is een prioriteit van de eerste orde. Met het grootste deel van de jeugd gaat het gelukkig goed. Maar er zijn ook probleemjongeren, zowel onder autochtonen als onder allochtonen. Een beperkt deel van de allochtone jongeren in ons land is verantwoordelijk voor een relatief hoog aandeel in de jeugdcriminaliteit. Ook hierop is het antwoord: wat niet mag zal niet worden toegestaan. Intussen blijft voorkomen van criminaliteit beter dan genezen. Mensen kunnen daaraan ook zelf bijdragen. De afgelopen tijd is reeds een groot aantal initiatieven genomen om de veiligheid te verbeteren; lokaal, regionaal en landelijk. Lokale veiligheidsplannen, burgerinitiatieven, samenwerkingsverbanden met het bedrijfsleven, integraal veiligheidsbeleid, versterking van de organisatie tot het bestrijden van rampen, uitbreiding van het politieapparaat: dit alles zal onverminderd worden voortgezet.

Juist op het vlak van de preventie kunnen de burgers belangrijke bijdragen leveren en behoren zij op het nemen van hun verantwoordelijkheid te worden aangesproken. In wijken en buurten, rondom het eigen huis en op school kan nog veel worden gedaan om de veiligheid te vergroten. Een snelle en effectieve afdoening van delicten in de justitiële keten is van het grootste belang. Rechterlijke beslissingen tot vrijheidsbeneming dienen prompt ten uitvoer te worden gelegd. In de afgelopen kabinetsperiode is het cellentekort en in samenhang daarmee het aantal heenzendingen sterk teruggebracht. Op andere terreinen, vooral inzake de jeugd- en TBS-inrichtingen, is nog veel te doen. De regering streeft ernaar daarin in deze periode verder verbetering te brengen, in de wetenschap dat de druk voorlopig nog hoog zal blijven. Het strafrechtelijk sanctiestelsel zal op onderdelen worden heroverwogen, in aanmerking nemend de mogelijkheid van alternatieven.

[...] Binnen onze rechtsstaat is een voordurende bezinning nodig op de gehanteerde rechtsregels en op de vraag of deze zich voldoende verhouden tot ons stelsel van rechtsbescherming en de eisen van zorgvuldige en slagvaardige besluitvorming. Gewaakt moet worden voor over-gejuridiseerde verhoudingen die ertoe leiden dat problemen onnodig op het bord van de rechter terecht komen. Samenwerking en overleg ter vermijding van onnodige conflicten nemen in onze samenleving traditioneel een belangrijke plaats in. Het verdient de voorkeur dat dit zo blijft en dat men elkaar niet te snel met juridische claims bestookt. Talloze maatschappelijke vragen kunnen in de samenleving zelf tot een oplossing worden gebracht, bijvoorbeeld met vormen van alternatieve geschillenbeslechting. Bij de uitwerking van de plannen tot versterking van de rechterlijke organisatie en verbetering van de toegankelijkheid van de rechtspraak zal met deze ontwikkelingen nadrukkelijk rekening worden gehouden.

Een goede rechtspleging is essentieel voor onze democratische rechtstaat. De organisatie van de rechterlijke macht vraagt nadrukkelijk om verbetering. Rechtzoekenden klagen immers over lange procedures, over onvoldoende service-gerichtheid en over te weinig eenheid in de rechterlijke organisatie. Ook de rechterlijke macht zelf is ervan overtuigd dat veranderingen noodzakelijk zijn. De Commissie-Leemhuis heeft aan het einde van de vorige kabinetsperiode geadviseerd over een betere toerusting en organisatie van de rechtsprekende magistratuur. De regering acht deze voorstellen waardevol. Met behoud van essentiële kenmerken van de rechtspraak, waaronder de onafhankelijkheid van het rechterlijk oordeel, wil de regering komen tot een stelsel van integraal management en het inrichten van een bestuur bij de gerechten. De kantongerechten zullen bestuurlijk bij de rechtbanken worden ondergebracht. Als sluitstuk van deze operatie, die in nauwe samenwerking met de rechterlijke macht verwezenlijkt zal worden, zal op termijn een overkoepelende Raad voor de Rechtspraak worden ingesteld.

[...] De financiële uitgangssituatie van waaruit dit kabinet start is veel gunstiger dan vier jaar geleden. Het overheidstekort ligt ruim beneden het EMU-plafond van 3 procent BBP. De werkgelegenheid neemt nog steeds fors toe en de economische groei ligt dit jaar rond de 4 procent. Voorzichtigheid bij het hanteren van budgettaire uitgangspunten blijft evenwel geboden. Het beleid van de overheid moet betrouwbaar en voorspelbaar zijn. Dat geldt ook voor het begrotingsbeleid.

Na een aantal opeenvolgende jaren met een gunstige internationale conjunctuur mag de mogelijkheid van een periode met een wat minder voorspoedige economische groei niet worden uitgesloten. De ontwikkelingen in Azië kunnen een negatieve uitstraling hebben op de groei in de rest van de wereld. Het begrotingsbeleid is derhalve opnieuw gebaseerd op behoedzame aannames voor wat betreft de te verwachten economische ontwikkeling. De kans op tegenvallers wordt zo verkleind. Voortbouwend op het beleid van vorige kabinetten is de afgelopen periode verder geïnvesteerd in het moderniseren en versterken van de infrastructuur in de brede zin van het woord. De activerende werking van het stelsel van sociale zekerheid is versterkt. Economische hervormingen zijn in gang gezet. De overheidsfinanciën zijn verregaand op orde gebracht, mede dankzij een gunstige economische ontwikkeling, een gematigde arbeidskostenontwikkeling en een sober uitgavenbeleid. Hoewel het financieringstekort nog verder moet worden teruggebracht, is gaandeweg meer ruimte vrijgekomen voor nieuwe investeringen in de kwaliteit en de toekomst van onze samenleving. Het blijft nodig om te investeren in versterking van de sociale en de economische infrastructuur van ons land in brede zin. Aan mensen op een te grote afstand van de arbeidsmarkt moet een helpende hand worden geboden om aan de slag te komen. Voorts dienen zich nieuwe uitdagingen en maatschappelijke behoeften aan.

Op belangrijke terreinen van overheidszorg zijn extra impulsen nodig. Er zal de komende jaren flink geïnvesteerd worden in de kwaliteit en vernieuwing van het onderwijs, de gezondheidszorg en de infrastructuur in ruime zin. Investeringen in onderwijs, beroepsscholing én kennis zijn van belang voor zowel de mogelijkheden tot individuele ontplooiing als het tempo van economische groei. Het beleid inzake de gezondheidszorg is erop gericht om, in samenwerking met de mensen die daar werkzaam zijn, een kwalitatief hoogwaardige, toereikende en toegankelijke zorg te verwezenlijken.

Om de veiligheid op straat en de rechtszekerheid te vergroten komen extra middelen beschikbaar voor een betere toerusting van ons justitieel en politie-apparaat. Samen met de steden wil de regering werken aan een versterking van de sociale samenhang in wijken en buurten. Het beleid is gericht op het ontwikkelen van economisch en sociaal krachtige steden, sterke regio's en een vitaal platteland.

Economische groei en een schoner milieu moeten zoveel mogelijk hand in hand gaan. Het streven blijft erop gericht zoveel mogelijk mensen aan de slag te helpen. In aanvulling op het gelijk oplopen van de sociale uitkeringen en AOW-pensioenen met de loonontwikkeling komt extra ruimte beschikbaar voor gerichte, specifieke inkomensondersteuning voor mensen die daarop het meest zijn aangewezen.

Het belastingstelsel zal ingrijpend worden gemoderniseerd en aangepast aan veranderde maatschappelijke verhoudingen en nieuwe vereisten. Met de fiscale stelselherziening beoogt de regering in de eerste plaats een krachtige bevordering van de werkgelegenheid en een verdere versterking van de economische structuur tot stand te brengen. Werk zal meer lonend worden gemaakt.

Internationaal gezien kan ons fiscale stelsel zo zijn goede concurrentiepositie behouden. Het nieuwe belastingstelsel zal tevens een bijdrage leveren aan het proces van emancipatie en economische verzelfstandiging. Met de verdere vergroening, waarin ons land reeds voorop loopt, wordt vanuit het fiscale beleid een additionele bijdrage geleverd aan een duurzame economische ontwikkeling. De voorgenomen belastingheffing over vermogen en vermogensinkomsten draagt bij aan een rechtvaardiger verdeling van de lasten. Met het oog op een verantwoorde invoering van de fiscale stelselherziening is een fors bedrag voor begeleidende lastenverlichting gereserveerd.

De keuze voor extra investeringen in de kwaliteit van de samenleving - ik sprak daar zojuist over - maakt gerichte ombuigingen en herschikkingen onontkoombaar. De regering wenst bestaande overheidsvoorzieningen zoveel mogelijk te ontzien en de kwaliteit van de publieke dienstverlening op peil te houden. Het accent ligt vooral op een doelmatiger werkende overheid. Het beleid, gericht op een stevige aanpak van fraude en het tegengaan van misbruik en oneigenlijk gebruik van fiscale regelingen, wordt voortgezet en waar nodig geïntensiveerd. Voor een deel hangen de besparingen op de uitgaven samen met voorgenomen beleidsintensiveringen. Zo leiden investeringen in de zorg, in het onderwijs en in de activerende werking van het stelsel van sociale zekerheid tot directe besparingen. Voor wat betreft de ontwikkeling van de EU-uitgaven wordt de Nederlandse positie bepaald door doelmatigheid en soberheid. Inzet is het bereiken van een besparing op de afdrachten en een evenwichtiger afdrachtensystematiek. De behoedzame uitgangspunten maken scherpe keuzes noodzakelijk. Zo zal het financieringstekort bij een voorzichtige raming van de economische groei slechts bescheiden kunnen dalen. Bij een hoger tempo van economische groei daalt het financieringstekort sneller. Bij een economische groei van gemiddeld 3 procent zou aan het einde van de kabinetsperiode zelfs begrotingsevenwicht kunnen worden bereikt. Wanneer het economisch tij meezit kunnen overigens ook meer van onze overige ambities verwezenlijkt worden. Een concurrerend bedrijfsleven en gezonde sociale verhoudingen zijn de pijlers van een sterke economie.

Dynamiek en vernieuwing vormen de beste waarborgen om adequaat te kunnen inspelen op economische en technologische ontwikkelingen. Ondernemers in startende en snel groeiende bedrijven leggen de basis voor voortdurende concurrentie en innovatie. Nieuwe werkgelegenheid komt vooral daar tot stand. De overheid zal ruimte blijven scheppen voor nieuwe kansen, voor nieuwe ondernemers, mede door het reduceren van toe- en uittredingsbarrières.

Een sterke markt kan niet zonder een sterke overheid en goede publieke voorzieningen. Naast de noodzaak van een verdere versterking van het bedrijfsleven dient blijvend aandacht te worden besteed aan behoud en versterking van de sociale samenhang. De overheid moet evenwicht creëren in de spanning tussen het stimuleren van economische dynamiek en het organiseren van sociale bescherming; tussen individuele verantwoordelijkheid en solidariteit.

Werk is een middel bij uitstek voor mensen om zich te kunnen ontplooien en om te voorkomen dat mensen in een maatschappelijk geïsoleerde positie raken. Een stimulerend economisch beleid en een dynamische marktsector dragen bij aan de groei van de werkgelegenheid. Dat is de ervaring van de afgelopen vier jaar. Het aantal werkzoekenden daalt snel, maar er valt nog heel veel te doen. Met name de activering van langdurig werklozen blijft bijzondere inspanningen vergen. De regering heeft daarom besloten in deze kabinetsperiode het bereik van de Regeling Extra Werkgelegenheid Langdurig Werklozen te verruimen van 40.000 tot 60.000 banen. Door het niveau van de beloning te verhogen zullen mensen de regeling ervaren als een opstap naar banen op een hoger functieniveau. Binnen de voorziene uitbreiding zullen nieuwe mogelijkheden in de collectieve sector worden gecreëerd voor zogeheten doorstroombanen.

Werkgelegenheidsbeleid kan in een voltooide Economische en Monetaire Unie niet langer louter nationaal beleid zijn. Daarom zijn in het Verdrag van Amsterdam afspraken gemaakt over een betere coördinatie van het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten. Aan de voornemens voor een effectieve aanpak van, met name, de langdurige werkloosheid zal ook in dit kader invulling worden gegeven. Het aantal mensen dat niet aan het arbeidsproces deelneemt is immers nog steeds veel te hoog. Het beleid blijft erop gericht daarin verder verbetering te brengen.

De toenemende spanning op de arbeidsmarkt komt onder meer tot uitdrukking in een steeds groter aantal openstaande vacatures, die niet of maar moeizaam te vervullen zijn. Vraag en aanbod zijn onvoldoende op elkaar afgestemd. Een groot deel van de vraag richt zich op hoger opgeleiden, terwijl het aanbod vooral uit lager opgeleiden bestaat. Een overbrugging van deze kloof is nodig, om sociale én economische redenen. Het gaat ook hier om een gezamenlijke verantwoordelijkheid van overheid en bedrijfsleven, werkgevers én werknemers. [...] Gezondheidsbescherming en het voorkomen van ziekte blijven belangrijke beleidsdoelen. Het gaat hier om een breed beleid. Veilig verkeer, gezond voedsel, een schoon milieu, beperking van het gebruik van alcohol en drugs, een goede sociale infrastructuur en een verstandige leefstijl, het zijn allemaal voorwaarden voor een goede gezondheidstoestand van onze bevolking. Versterking van de preventie is met name geboden op het terrein van de geestelijke gezondheid, waar de vraag naar zorg opvallend sterk groeit.

Dit alles laat onverlet dat rekening moet worden gehouden met een aanzienlijke toename van de totale vraag naar zorg. Ik wijs op de vergrijzing, maar ook op de voortschrijdende medische kennis en technologische mogelijkheden alsmede de toegenomen mondigheid. Het regeerakkoord voorziet derhalve in een volumegroei van ruim 2 procent per jaar. Voorop staat dat de zorg voor iedereen toegankelijk moet zijn.

Daarnaast zal het beleid erop gericht moeten zijn het aanbod van zorg doelmatig, transparant en betaalbaar te houden. Dit betekent dat de financiële middelen daar terecht komen waar ze voor een goede zorg het meest nodig zijn. Dit zal ook tot besparingen moeten leiden, bijvoorbeeld bij de geneesmiddelenuitgaven. Onze samenleving in haar geheel is door te hoge prijzen, winsten en ondoelmatigheden bij de verstrekking van genees- en hulpmiddelen nog steeds te duur uit. Met de zorgsector en waar nodig met onderdelen daarvan zullen meerjarige prestatieafspraken worden gemaakt met een tweeledige functie: enerzijds het vergroten van de doelmatigheid en daarmee het realiseren van besparingen, anderzijds bewerkstelligen dat de beschikbaar gestelde middelen en de besparingen in de sector zelf daadwerkelijk daar terechtkomen waar ze nodig zijn. Met deze nieuwe bestuurlijke aanpak wil het kabinet een beroep doen op de verantwoordelijkheid en de managementkracht van de sector zelf.

Het feit dat mensen gemiddeld steeds ouder worden heeft gevolgen voor de zorgsector. Algemene zorgvoorzieningen zullen steeds meer op ouderen moeten worden gericht. Bij jongere patiënten wordt het beeld in toenemende mate beheerst door chronische aandoeningen. Doel van alle zorg is mensen zo lang mogelijk in staat te stellen zelfstandig te functioneren.

De gezondheidszorg in ons land staat op een hoog niveau. Een verschraling van de zorg voor mensen die daar langdurig op zijn aangewezen moet worden voorkomen.

In 1998 is een begin gemaakt met het bij voorrang investeren in personeelsuitbreiding in de care-sector. Dit beleid zal worden voortgezet. De toegankelijkheid van de zorg wordt onder meer vergroot door afschaffing van de eigen bijdragen in het Ziekenfonds en de toegangsbijdragen voor de thuiszorg en voor de preventieve zorg voor 0-4-jarigen. Het Ziekenfonds wordt uitgebreid: voortaan zullen ook kleine zelfstandigen worden toegelaten. Daarnaast krijgen ouderen beneden een bepaalde inkomensgrens ruimere toegang tot het Ziekenfonds. De WTZ zal in samenhang daarmee worden gesloten voor mensen die nu nog 65 jaar moeten worden. Tegenover deze uitbreidingen staat dat de zogenoemde loongrens voortaan alleen nog aan de prijsontwikkeling zal worden aangepast. De regering neemt zich voor om studie te verrichten naar de wenselijkheid van verdergaande aanpassingen van het verzekeringsstelsel op de langere termijn.

Over de eeuwgrens heen staan wij voor belangrijke keuzes inzake de ruimtelijk-economische inrichting en de structuurversterking van ons land. De ideeën liggen op tafel. Betrokkenen staan er klaar voor. Het komt nu aan op het in daden omzetten van wat in belangrijke mate reeds door het vorige kabinet is voorbereid.

Kernpunten zijn een duurzame economische ontwikkeling, verbetering van de bereikbaarheid van de economische centra en modernisering van de infrastructuur, alsmede het in een kwalitatief hoogwaardige omgeving inpassen van nieuwe claims voor wonen, werken, reizen en recreëren. Bij dit alles behoort de verscheidenheid aan landschappen en steden en de eigen identiteit en kwaliteit van de verschillende landsdelen behouden te blijven en vragen de mogelijkheden van Nederland als geheel om een betere benutting. Gelet op de mate van urgentie ligt een zeer belangrijk accent bij het verder versterken van de vitaliteit van de steden en van het platteland en bij projecten ter verbetering van de bereikbaarheid. Om het 'dichtslibben' van ons land te voorkomen, zijn investeringen in openbaar vervoer én in wegen noodzakelijk. Een goed ruimtelijk-economisch beleid vereist eigentijdse vormen van overleg en samenwerking. De regering zal zich openstellen voor bijdragen vanuit de samenleving omtrent de toekomstige inrichting van Nederland. Het gezamenlijk zoeken naar oplossingen staat daarbij centraal, zonder dat de verantwoordelijkheid van het bestuur voor het nemen van besluiten wordt miskend.

De vormen van samenwerking die worden beproefd moeten leiden tot een zo stevig mogelijk maatschappelijk draagvlak, tot een optimaal maatschappelijk resultaat en daarmede tot een effectieve besluitvorming over maatregelen die zijn gericht op een evenwichtige ontwikkeling van ons land. Partijen zullen in een vroeg stadium van ideeënvorming bij het overleg worden betrokken. De voorkeur gaat uit naar maatwerk, niet naar blauwdrukken. Een open houding ten opzichte van elkaars ideeën, belangen en beperkingen dient voorop te staan. Een bijzonder accent zal komen te liggen op het formuleren van te bereiken maatschappelijke resultaten en verwezenlijking van die resultaten in goed overleg.

Op korte termijn zullen de uitgangspunten voor de kwaliteit van de inrichting van de ruimte worden vastgelegd. Het komt er daarbij op aan vorm te geven aan een geconcentreerde ruimtelijke ontwikkeling in de grootstedelijke gebieden, in samenhang met een beheerste ontwikkeling van corridors en het openhouden van landelijke gebieden. Het is het voornemen recht te doen aan een optimale benutting van de sterke kanten van alle landsdelen. De regering wil hiertoe in overleg treden met provincies en regio's en met hen meerjarenafspraken maken. Voor de verbindingen door de lucht is het van belang voldoende en tijdig ruimte te geven aan een beheerste groei van de luchtvaart. Randvoorwaarden op het gebied van milieu, gezondheid en veiligheid zullen daarbij nauwgezet in acht moeten worden genomen.

Nog dit jaar zal het kabinet, op basis van reeds lopende studies voor de middellange en lange termijn, aan de Tweede Kamer voorstellen voorleggen over de mogelijkheden van een ruimere benutting van Schiphol en een eventuele aanvullende locatie. Eerste stap in de ontwikkeling van Schiphol vormt de spoedige aanleg van de vijfde baan ter uitvoering van de reeds eerder vastgestelde planologische kernbeslissing.

Ook over de versterking van de andere mainport van ons land, het havengebied Rotterdam-Rijnmond, zal de besluitvormingsprocedure, gericht op het oplossen van de ruimtenood in de haven in samenhang met een vergroting van de kwaliteit van de directe leefomgeving, tijdens de komende kabinetsperiode worden afgerond.

[...] Aan de vooravond van een nieuwe eeuw mogen we met dankbaarheid vaststellen dat het in veel opzichten goed gaat met ons land. Maar in menig opzicht hebben wij nog niet voldoende kunnen bereiken. Bovendien dienen nieuwe problemen en uitdagingen zich aan.

Het geheel van de voornemens van de regering waarover ik heb gesproken, doet een beroep op een ieder om in de lijn van onze nationale tradities met een gezamenlijke inspanning verder te bouwen aan een samenleving die aan mensen goede kansen biedt op individuele ontplooiing en welvaart; een samenleving die zich tevens kenmerkt door een grote verbondenheid tussen zwakken en sterken, tussen jong en oud, tussen mannen en vrouwen. Ons land zal ook in de volgende eeuw een goed thuis moeten zijn voor allen die hier wonen.