Chailly excelleert in 'nieuwe' Varèse

Concert: Concertgebouworkest en Vrouwenkoor Sweelinck Conservatorium o.l.v. Riccardo Chailly met Mireille Delunsch (sopraan). Werken van Debussy en Varèse. Gehoord: 24/8 Concertgebouw Amsterdam.

“Eens zal alle muziek worden geproduceerd door de machine”, profeteerde Edgar Varèse. Hij zei ook: “De instrumentalist zal slechts blijven bestaan bij de gratie van degenen die prefereren te leven in het verleden.” Ondanks Varèse's visioen klonken - naast muziek van Debussy - twee wereldpremières van nieuw bewerkte stukken van de radicale Frans-Amerikaanse componist bij het Concertgebouworkest onder leiding van Riccardo Chailly. Beide stukken kwamen zelfs mede tot stand in opdracht van het orkest.

Als 22-jarige student raakte Varèse verslingerd aan het krachtige geluid van de sirene, als muziek van een andere planeet. In Prélude à la fin d'un jour (1905) voor 120 musici, verkende hij de klankmogelijkheden van het symfonie-orkest tot het uiterste. Evenals andere vroege composities ging dit werk verloren, behalve het pianolied Un grand sommeil noir, dat nu werd uitgevoerd in een nieuwe instrumentatie van Antony Beaumont. Die is, zoals Varèse dat zelf destijds omschreef, enigszins granietachtig, “als gespeeld in de holte van een grafkelder”.

De machinemuziek waarvan Varèse droomde, intrigeerde filmproducent Boris Moros, die de componist aantrok voor zijn film Carnegie Hall (1947). Moros wilde een 'tuning up' als parodie op het stemmen van een orkest. Voor Moros was het een aardigheidje, Varèse vatte het serieus op en zo bleef het na enige frictie bij twee schetsen. Varèse-kenner Chou Wen-chung werkte die uit tot de serieuze compositie Tuning up, daarbij gebruikmakend van sirenes, als in Varèse's Ionisation. Ook uit andere werken van de componist wordt geciteerd. De echte Varèseklank is dus gegarandeerd, ook omdat Wen-chung anticipeert op het drie jaar later gecomponeerde Désert voor orkest en tape.

Hoe intrigerend Tuning up ook uitviel, met een Ives-achtig Beethovencitaat en een parodie op een niet te stoppen finale, de meesterhand van de componist werd node gemist, een dwingende richting ontbreekt. Die was er uiteraard wel in het hoogtepunt van de avond, Amériques uit 1920-1921, uitgevoerd in de eerste grotere versie. Omdat de parodie eraan voorafging, traden nu vooral de geestige elementen grotesk aangezet op de voorgrond: de stoombootfluit, de cycloonfluit en de 'crowcall'.

Varèse had ongelijk: de orkestmachine wint het ruimschoots van de studiomachine, zeker als Amériques zo grandioos en glanzend wordt gerealiseerd. Met de uitstekend gedoseerde explosies, zonder dat de muziek aan transparantie en ritmische precisie inboet, bleek Chailly al eerder een Varèse-specialist. Het succes was groot en wiste Debussy enigszins uit de herinnering. Ten onrechte, want Paul Verhey blies de fluitsolo in de Prélude à l'après-midi d'un faune ongeëvenaard fraai, lelieblank van klank. In Sirènes uit Trois nocturnes was de versmelting van klankkleuren eveneens ongeëvenaard.