Robinson en de koloniale valkuil

In een korte en tamelijk venijnige bespreking van de nieuwste verfilming van Robinson Crusoë door de Australische regisseurs George Miller en Rod Hardy zegt Bianca Stigter (NRC Handelsblad, 19 augustus) dat de film naar twee andere doet verlangen: een accurate weergave van Daniel Defoe's boek en een intelligente twintigste-eeuwse bewerking ervan.

Want Miller en Hardy zijn blijven steken in de koloniale valkuil als ze de relatie tussen Robinson en Vrijdag proberen uit te beelden, ook al is Vrijdag nu geen barbaar die door Robinson wordt opgevoed tot beschaafd christen, als bij Defoe, maar een 'nobele wilde' die niets hoeft te leren en bevriend raakt met Robinson. In essentie verandert er niets, zegt Bianca Stigter: Vrijdag blijft de ondergeschikte van Robinson en hij blijft zich uitdrukken in een soort klukkluk-Engels.

Maar ze vraagt nogal wat: een accurate weergave van het origineel en een intelligente twintigste-eeuwse bewerking van de verhouding tussen de blanke en de 'zwarte' - wie zou het aandurven? Het is waar dat over Robinson Crusoë en zijn metgezel Vrijdag zo langzamerhand een kleine bibliotheek vol is geschreven, door James Joyce, Edward Saïd, Albert Helman, Derek Walcott en een ontstellend aantal studenten Afrikaanse letterkunde, wat opmerkelijk mag heten, omdat het verhaal zich afspeelt in het Caraïbisch gebied en Vrijdag geen neger is, maar een Indiaan. Maar deze studies zijn vooral politieke of morele kritieken en geen twintigste-eeuwse bewerkingen.

Zelfs een accurate weergave van het boek uit 1719 (naar men zegt: de eerste roman ter wereld) zal niet meevallen. Hoe bijvoorbeeld op overtuigende wijze een tijdgeest op te roepen waarin het aannemelijk is dat de blanke de gekleurde per definitie ziet als slaaf, zonder daarbij kwade bedoelingen te hebben? Defoe's Robinson is absoluut niet inhumaan of hardvochtig, hij is zelfs overdreven rationeel, godvrezend en edelmoedig. Maar Vrijdag is niet blank en dus een knecht, een bediende.

Defoe's roman is bovendien complexer dan men denkt. Als Robinson de eerste keer getuige is van het kannibalisme van de wilden op het strand, raakt hij zo vervuld van walging en razernij, dat hij zich voorneemt ze de volgende keer stuk voor stuk dood te schieten. Maar dan volgt een merkwaardige overpeinzing: 'Welk recht had ik, om mij op te werpen als rechter en beul van deze door mij als misdadigers bestempelde mensen?' Waren ze wel misdadigers, vraagt hij zich af, en zo ja, in wiens ogen? En was het niet even misdadig wat de Europeanen de wilden hadden aangedaan? 'Zij hadden in Amerika miljoenen van deze mensen vermoord die, hoewel het barbaren en afgodendienaars waren met bloedige rituelen (zoals het offeren van mensenlevens aan hun goden) toch, waar het de Spanjaarden betrof, heel onschuldig waren. [..] Het was een zuivere afslachting die noch tegenover God, noch tegenover de mensen te rechtvaardigen is.'

Met zulke cultuur-relativistische opvattingen dwarsboomt Defoe elke weergave van Robinson als een rechtlijnige, etnocentrische universalist die de eigen taal, de eigen God en de eigen zeden en gewoonten zonder een spoor van twijfel superieur acht.

In feite zijn de twintigste-eeuwse bewerkingen van Robinson Crusoë heel wat rechtlijniger. Neem Michel Tournier, die in 'Vrijdag of het andere eiland' uit 1967 een beetje de draak steekt met Daniel Defoe. Tourniers Robinson benoemt zichzelf tot gouverneur van het eiland en schrijft een grondwet. Hij beschikt over een veel dieper innerlijk leven, hij is banger, neerslachtiger en eindeloos eenzamer. Hij is niet zozeer religieus alswel filosofisch, hij is bijna een antropoloog die de wilden bestudeert en hun magische rituelen ontleedt als 'verzoeningsplechtigheden'. En Vrijdag wordt geen slaaf, maar een heuse loonarbeider, die van Robinson een salaris ontvangt, met vaste afspraken over vakantiedagen.

Toch blijft Vrijdag iemand die 'op de laagste trap van de menselijke ladder' staat, hij is kinderlijk en heeft een directe verwantschap met dieren. Het is een hele klus hem op te voeden tot een fatsoenlijk lakei die Robinson bij het avondeten bedient en van vriendschap tussen de twee mannen is hoegenaamd geen sprake. Robinson is zelfs bang voor de 'duivelse schaterlach' van Vrijdag en zijn vrolijke onbekommerdheid en hij beseft dat hij nooit om de liefde van Vrijdag moet vragen: het zou zijn macht over Vrijdag ondermijnen, hij zou Vrijdags gehoorzaamheid verspelen.

Tourniers Vrijdag heeft geen wil, maar een 'natuur': hij beschildert zich, maakt houten maskers en speelgoed dat kan vliegen. Al deze gedragingen worden door Robinson zorgvuldig geobserveerd en geanalyseerd. Vrijdag is een studie-object, de verhouding tussen de westerling en de niet-westerling is volkomen 'oriëntalistisch', en je zou daarom kunnen zeggen dat Tourniers bewerking eerder negentiende-eeuws dan twintigste-eeuws is.

Waar vinden we een 'intelligente twintigste-eeuwse bewerking', zoals Bianca Stigter dat verlangt? Bij J.M.Coetzee, in zijn roman 'Foe' uit 1986? Robinson is bij Coetzee een koppige, norse dwaas die geen gereedschappen heeft, geen dagboek bijhoudt en niet eens van het eiland af wil. En Vrijdag is nu een kleine, magere en foeilelijke Afrikaan die als slaaf onderweg was naar de Nieuwe Wereld. Maar de slavenhandelaren hebben zijn tong afgesneden, waardoor de relatie tussen de twee mannen woordeloos, letterlijk zin-loos is.

Bij Coetzee wordt het verhaal verteld door een blanke vrouw die op het eiland aanspoelt, wat een prettige belofte van seksuele verwikkelingen met zich brengt. Maar die wordt niet ingelost. Een keer neemt Robinson haar, op onverschillige en plichtmatige manier, en Vrijdag heeft totaal geen interesse. Hij heeft geen begeerten, geen eigenschappen en Coetzee beschrijft hem als een ondoordringbare schim in de fantasie van de (blanke) literatuur.

Dat schiet niet op natuurlijk, als we de wensen van Bianca Stigter willen vervullen. Stel dat in onze tijd een redelijk geschoolde, fatsoenlijke blanke man op een eiland terecht zou komen en daar een zwarte zou aantreffen. Een slaaf of loonarbeider zou hij niet van hem maken. Hij zou hem geen andere naam geven en hem zijn eigen taal en cultuur niet opleggen en hij zou hem niet louter willen bestuderen, als een willoos object. Maar hoe verder? Er zal sprake zijn van wederzijdse nieuwsgierigheid, wederzijdse bewondering en respect voor elkaars kennis en vaardigheden en ten slotte vriendschap op voet van gelijkwaardigheid. En uiteraard een vleugje seks, zoals de homo-erotische beschrijving die Robinson gaf van Vrijdag in het boek van Daniel Defoe al deed vermoeden. Maar zou dat een interessante film opleveren? Een verhaal over een blanke en een zwarte, zonder geraffineerde machtsspelletjes en zonder etnische hoogmoed en strijd - iets saaiers is nauwelijks denkbaar.