'Paars II bedreigt kenniseconomie'; Vraaggesprek met voorzitter universiteiten M.H. Meijerink

De universiteiten zijn boos over een nieuwe ronde bezuinigingen op het hoger onderwijs. Voorzitter M. Meijerink snakt naar een minister met een “frisse blik”. Want “door gebrek aan visie” loopt de kenniseconomie gevaar.

ROTTERDAM, 24 AUG. Universiteiten moeten zelf de hoogte van hun collegeld kunnen bepalen, zodat ze onderling kunnen concurreren. Ook kunnen overheid en bedrijfsleven studies waar behoefte aan is op de arbeidsmarkt, aantrekkelijker maken door het collegegeld te verlagen. En studenten kunnen zowel prijs als kwaliteit laten meewegen bij hun studiekeuze.

Dit zegt de voorzitter van de vereniging van universiteiten (VSNU), M.H. Meijerink. Hij mist visie op het hoger onderwijs bij het nieuwe kabinet, dat enkel van plan is te bezuinigen. Die kortingen waren aanleiding voor een brandbrief aan de Tweede Kamer. Volgens Meijerink gaat het nieuwe kabinet voorbij aan het belang van universitair onderwijs en onderzoek voor de Nederlandse economie. “De verregaande bezuinigingen en het gebrek aan visie zijn een gevaar voor de positie van Nederland als kennisland.”

De extra bezuinigingen van ongeveer 100 miljoen gulden, bovenop de kortingen van 200 miljoen gulden waartoe het vorige kabinet al had besloten, zijn de universiteiten in het verkeerde keelgat geschoten. “Ik had geen gouden bergen verwacht”, zegt Meijerink namens de dertien universiteiten. “Maar dit is een grote teleurstelling.” Hij verwijst naar een recent artikel in het Britse wetenschappelijke tijdschrift Nature dat de bezuinigingen op hoger onderwijs en onderzoek “een ramp” noemde voor de Nederlandse economie.

Extra investeringen zijn nu juist hard nodig, vindt Meijerink. Om aan de toenemende vraag naar werkende academici te kunnen voldoen, moeten er jaarlijks 10.000 mensen meer afstuderen. Door de jarenlange bezuinigingen op universiteiten kampen zij met een gebrek aan personeel, omdat de lonen zijn achtergebleven bij die in het bedrijfsleven. Bovendien staan de universiteiten de komende jaren grote uitgaven te wachten op het gebied van informatie en communicatietechnologie. Daarvoor trekt het kabinet evenmin geld uit, stelt Meijerink.

Hij wil niet zo ver gaan als de hogescholen die onlangs dreigden met een studentenstop voor bepaalde studies als het kabinet niet met meer geld over de brug zou komen. Meijerink: “Maar het illustreert wel hoe hoog de nood is.” Met zijn brief zoekt Meijerink steun bij de Kamer die morgen debatteert naar aanleiding van de regeringsverklaring. Hij hoopt dat de nieuwe minister van Onderwijs, L. Hermans, met een “frisse blik” zal kijken naar de problemen in het hoger onderwijs. “Want dat is volkomen vastgedraaid.” Snelle beslissingen zijn nodig en die hoeven volgens Meijerink niet altijd geld te kosten. “Zo zou de overheid de financiering van het wetenschappelijk onderzoek opnieuw moeten bekijken. Ik constateer dat de alfa- en de gammawetenschappen momenteel buiten de prijzen vallen. Dat is ongewenst.”

Ook zou Hermans kritisch moeten kijken naar de toegenomen marktwerking en onderlinge concurrentie, waartoe de universiteiten onder zijn voorganger Ritzen werden gedwongen. Daar staan de instellingen achter”, zegt Meijerink. “Maar zonder prijsdifferentiatie geen marktwerking.” Zo wil hij dat de univerisiteiten zelf binnen bepaalde grenzen de hoogte van hun collegegeld kunnen bepalen. Meijerink: “Studenten kunnen dan behalve de kwaliteit van een opleiding ook de prijs laten meewegen. Dan hebben ze wat te kiezen.” Nu betalen studenten een bedrag dat door de overheid is vastgesteld. Dit jaar bedraagt het collegegeld 2.750 gulden.

Bovendien kunnen de overheid en het bedrijfsleven zo bepaalde studiekeuzes stimuleren. Ze zouden universiteiten een premie kunnen geven, zodat ze het collegegeld voor bepaalde studies kunnen verlagen - in deze tijd met een groot gebrek aan informatici en technici is dat volgens Meijerink geen overbodige luxe. Andere studies zullen juist duurder worden. Om te voorkomen dat die alleen toegankelijk zijn voor studenten met rijke ouders, moet de overheid minder draagkrachtige jongeren meer studiefinanciering geven.

Want de studiefinanciering mag minister Hermans van Meijerink ook wel eens kritisch bekijken. Het meest stoort hij zich aan de prestatiebeurs, het dieptepunt na een reeks bezuinigingen op de studiebeurs. Studenten krijgen nu vier jaar een beurs in de vorm van een lening; studeren zij binnen vijf jaar af, dan wordt de lening omgezet in een gift. Meijerink: “Dit belemmert studenten in hun keuze. Ze durven niet te kiezen voor een zware studie uit angst straks te worden opgezadeld met een torenhoge studieschuld. Dat is fnuikend.” Met name technische en bèta-studies, die te boek staan als 'zwaar', trekken hierdoor steeds minder studenten.

Wat betreft de studiefinanciering is Hermans geen blanco blad: hij was vorig jaar voorzitter van een adviescommissie die zich boog over een nieuw studiefinancieringsstelsel. De aanbevelingen van de commissie heeft Ritzen destijds onmiddellijk van tafel geveegd. “Hij vond het te duur”, vermoedt Meijerink. De PvdA'er Meijerink vindt de hoogste tijd voor een wisseling van de wacht op het ministerie van Onderwijs, waar zijn eigen partij al acht jaar de scepter zwaaide. En hij is niet ontevreden met de keus voor de VVD'er Hermans. “Hij is iemand die alle argumenten aanhoort voordat hij beslist. En dat is wat we nodig hebben.”