Overlevers Jongenskampen bijeen

Overlevers van de jongenskampen in het voormalig Nederlands-Indië liepen gisteren tijdens de jaarlijkse herdenking langs een kleine replica van het Jongenskampenmonument. Maar het gestolen beeld is inmiddels teruggevonden.

ARNHEM, 24 AUG. Hij bijt op zijn zakdoek en slikt. Knipperend met zijn ogen en met de hand voortdurend aan de kin probeert hij zijn emoties de baas te blijven. Als een spreker gewaagt van het lijden in de kampen, knikt hij traag en instemmend. Voor hem is het leed na 55 jaar nog niet geleden.

Op het terrein van de 'Koninklijk tehuis voor oud-militairen Bronbeek' in Arnhem kwamen ze gisteren bijeen voor hun jaarlijkse herdenking, de overlevers van de jongenskampen, die de Japanners tijdens de Tweede Wereldoorlog in het voormalig Nederlands-Indië hadden ingericht. Kampen waarin duizenden jongens van tien tot zeventien jaar onder erbarmelijke omstandigheden in leven moesten zien te blijven. Maar het is een herdenking die anders is dan voorgaande bijeenkomsten. Vorige week werd in de nacht van woensdag op donderdag het monument voor de slachtoffers van de jongenskampen, een uitgemergelde jongen met een bijl en een hakschop, van zijn sokkel gehaald en gestolen. De diefstal wordt deze middag veelvuldig becommentarieerd. “Verbijsterend”, zegt voorzitter B. Singelenberg van de commissie Herdenking Jongenskampen 1998. “Vreselijk”, vindt overlever N. de Zeeuw. “Volstrekt zinloos”, meent overlever G. Weijers.

De aanwezigen vragen zich af waarom iemand een dergelijk beeld meeneemt. Om het brons, denkt de een. Misschien een smakeloze studentengrap, denkt een ander. Singelenberg laat weten dat prins Bernard, die het beeld in 1988 officieel onthulde, op de hoogte is gebracht van de verdwijning. We laten het er niet bij zitten, is zijn boodschap, en daar kunnen de aanwezigen zich allemaal in vinden. Er zal, zegt Singelenberg, een nieuw beeld worden aangeschaft, dat vóór de herdenking van 1999 op de sokkel zal staan. “Nu zullen we herdenken bij een kleine replica.”

Misschien wel op datzelfde moment vinden twee spelende jongens het beeld in de bossen bij Velp. Wanneer één van hen 's avonds in het journaal de herdenking en de replica ziet, zegt hij tegen zijn moeder dat hij het beeld diezelfde middag in het bos heeft zien liggen. Met zijn moeder wordt het opgehaald en afgeleverd bij Bronbeek. Afgezien van een kleine verbuiging van de hakschop is het beeld ongeschonden. Het kan na herstel weer op de sokkel worden geplaatst, zo laat een woordvoerder van Bronbeek weten.

Zondagmiddag staat er nog een replica van twintig centimeter hoogte op de sokkel van zo'n anderhalve meter. De herdenking is er voor de aanwezigen niet minder emotioneel om. Een man veegt zijn tranen weg, twee vrouwen ondersteunen elkaar in hun verdriet. “Wij zijn de survivors, de overlevers”, had Singelenberg in zijn toespraak gezegd. De “kinderen van toen en mannen van nu” overleefden het schoonmaken van de barakken, het verzorgen van de oude, zieke mannen die ook in de kampen waren ondergebracht. Ze overleefden het sjouwen van de lijken, het werken aan spoorlijnen.

De Zeeuw was zeventien toen hij werd opgesloten in een jongenskamp bij Semarang. Met duizend andere kinderen moest hij zich in leven zien te houden. “Wat je daar hebt gezien en meegemaakt, dat vergeet je nooit meer. Het was vreselijk.” Zoals meer overlevers verkoopt hij boeken en andere spullen over die jaren. Na de oorlog kwam hij, met zijn ouders, terug naar Nederland. “Ik denk er niet veel meer aan, maar het heeft me wel gevormd. Ik was veel zelfstandiger en veel harder dan leeftijdgenoten. Als er iemand dood ging, zat ik daar niet zo mee. Ik had al zoveel doden gezien.”