Naaktmodel

Hoe ik ertoe kwam mij ontkleed in een schaars verwarmde ruimte van de Academie van Beeldende Kunsten en Technische Wetenschappen op een divan uit te strekken had niets te maken met armoede, ontbering of andere kommervolle omstandigheden; wel met een schromelijk gemis van de middelen om mij de ijdele zaken aan te schaffen die voor een achttienjarige zo begerenswaardig waren.

Want aangezien ik voor geen enkel baantje geschikt bleek en noch de verhalen die ik aan diverse periodieken trachtte te slijten, noch mijn geringe bijdrage als dansgirl aan mijn vaders revues de gewenste financiële resultaten opleverden, verkeerde ik in permanente geldnood. Daar kwam bij dat ik er genoeg van had in de jurken rond te lopen waar een in Zwolle wonend nichtje uit was gegroeid en die haar moeder, mijn welgestelde tante Meta, elke zomer bij haar bezoek aan Rotterdam in een bruingeribde city-bag meebracht.

Zelf zou ik trouwens nooit op het idee zijn gekomen mijn toevlucht tot deze, in het algemeen laakbaar geachte bezigheid te nemen, indien een paar beroepsmodellen die ik via de kunstenaarsvereniging De Oase had leren kennen mij er niet attent op hadden gemaakt. Als ik hen moest geloven, was poseren een vak gelijk ieder ander en lang niet zo gemakkelijk als werd verondersteld - probeer maar eens een poos onbeweeglijk te blijven liggen, staan of zitten. Overigens werd je met een soort mensen geconfronteerd voor wie je, bedekt of onbedekt, niets anders betekende dan een studieobject.

Dit leek me een redelijk standpunt, en hierdoor aangemoedigd meldde ik mij op het spreekuur van de Academie aan de Coolvest, waar de directeur, Herman Mees - een man met witblond haar en opvallend lichte ogen - mij inschreef voor 's ochtends tweemaal drie kwartier ontkleed, met tweemaal vijf minuten pauze, en 's avonds dezelfde tijdsduur gekleed, respectievelijk voor de schilder- en de tekencursisten. Het eerste verzweeg ik angstvallig voor mijn ouders, die ik in de waan liet dat ik ook 's morgens in de Zwolse afdankers poseerde, en die het, ofschoon een merkwaardige bijverdienste, mooi meegenomen vonden, al zouden ze mij af en toe in de revue moeten missen.

Zo kwam ik op zekere ochtend, geplaagd door schuldgevoelens tegenover mijn argeloze vader en moeder, in een groot lokaal terecht met een enorm raam op het noorden, een laag podium en een decent kamerscherm, waarvan ik begreep gebruik te moeten maken bij het uit- en aankleden. Toen ik in mijn blauwe, met bloemen geborduurde kimono, die mij een jaar eerder door mijn toenmalige verloofde uit Indië was toegestuurd, te voorschijn was gekomen en in het meedogenloze daglicht de door meneer Mees gewenste houding op de divan had aangenomen, besefte ik pas waartoe ik me had geleend en zag slechts in een waas de in witte jassen gestoken jongens en meisjes die mijn naaktheid met neutrale oogopslag van achter hun schildersezels observeerden.

Ondanks de flauw brandende schoolkachel - het zal eind augustus zijn geweest - probeerde ik de met kippenvel gepaard gaande rillingen te onderdrukken en, zijdelings op een elleboog steunend met het linkerbeen iets gebogen over het rechter, de nuchtere blikken in mijn gezichtsveld te ontwijken door quasi onverschillig naar de achterkanten van de ezels te staren. Zodra er werd gepauzeerd schoot ik in de kimono, die bij de aanvang van de les op aanwijzing van meneer Mees over de divan was uitgespreid, en drentelde voor de kachel heen en weer om mijn verstijfde ledematen te ontspannen.

De avondcursus werd onder leiding van een andere leraar in een ander lokaal met een zelfde podium gegeven. Bedekt door een beschermende laag textiel zat ik op een driepotige kruk onder een paar schijnwerpers in een linnen strandjurk (net in de opruiming van de Bijenkorf gekocht) met witte sokjes en dito gymnastiekschoenen iets zomers voor te stellen, waarbij ik een tennisracket verticaal op mijn ene knie moest vasthouden.

Na enige weken was ik al tamelijk bedreven in het afwezig wegkijken langs de witte jassen. Bovendien was ik niet alleen in het bezit gekomen van een uitzonderlijke verzameling orchideeën die een jongeman van de tekencursus, wiens vader een bloemkwekerij bij Boskoop had, geregeld voor me meebracht, maar tevens van een bescheiden, niettemin splinternieuwe garderobe.

Helaas kwam er echter een abrupt einde aan mijn bron van inkomsten, als gevolg van een knagend geweten jegens de man op wie ik sinds enkele maanden hevig verliefd was en met wie ik binnenkort in het huwelijk zou treden. Want daar het mij steeds moeilijker viel mijn ochtendbezoeken aan de Academie voor hem te verzwijgen (van de avonden was hij op de hoogte), had ik hem op een zwak moment tijdens een van onze heimelijke ontmoetingen in zijn huis aan de Leuvehaven ingelicht over mijn lucratieve escapades. Het resultaat van mijn bekentenis was evenwel het tegendeel van wat ik van een ervaren, ruimdenkende dichter en schrijver had verwacht en noopte mij te zweren dat ik geen stap meer in het gebouw aan de Coolvest zou zetten.

De aardige jongen van de orchideeën heb ik niet meer gezien, en mijn ouders hebben nooit geweten dat ik mij ten aanschouwen van een aantal mij totaal onbekende personen op mijn gebloemde kimono heb blootgegeven.

    • Tonny van der Horst