Het onmogelijke verlangen van de therapeute Clark

Tentoonstelling: Lygia Clark (1920-1988), Paleis voor Schone Kunsten, Ravensteinstraat 23, Brussel. T/m 27/9, open di-zo 10-18u. Catalogus (Frans/Portugees met Nederlandstalige bijlage) 1800 Bfr.

Een lange sliert stof kronkelt over de grond, als een afgestroopte slangenhuid. Plots blijkt er een jongetje in te zijn gekropen, aan het ene uiteinde, en aan het andere uiteinde nog een tweede, zijn vriendje. De sliert zwelt tot een buisvormig kleed, een meterslange slokdarm die als een sok rond het lichaam kleeft.

'Tunnel' is een werk uit 1973 van de Braziliaanse Lygia Clark (1920-1988). De bedoeling was dat deelnemers met behulp van anderen door het vijftig meter lange kleed kropen. Kregen ze het benauwd, dan werden er gaten in gemaakt.

Niet het object was van belang, maar de handeling en wat die bij de deelnemers teweegbracht. In die zin is de tunnel slechts een geleider, net als de andere voorwerpen in deze zaal van het Paleis voor Schone Kunsten, waar nu een overzichtstentoonstelling met werk van Lygia Clark is ingericht. Met 'sensoriële handschoenen', gemaakt van verschillende materialen, kunnen we hier gladde, zachte of harde balletjes betasten. Kleurige stofkappen, zogeheten 'sensoriële maskers', zijn ter hoogte van oog, neus en oor van prikkelende elementen voorzien, zakjes kruiden, ruisende schelpen, of aluminium dopjes met een dun spleetje. We kunnen onze zintuigen ermee scherpen.

Lygia Clark had toen ze dit maakte al een lange weg afgelegd. Het oudste werk in het PSK stamt uit begin jaren vijftig, en lijkt nog 'gewoon' geometrisch-abstracte kunst. Een paar jaar later maakt ze oppervlakten samengesteld uit geometrische onderdelen in wit, grijs en zwart, met als enige lineaire element de spleten daartussen, even concreet als de spleet tussen vloerplanken.

Omstreeks 1960 stapt haar werk de ruimte binnen, met de 'Bichos' (beestjes) waarvan het PSK een hele kolonie toont. De Bicho is een geometrisch gedierte, gemaakt van cirkelvormige, vierhoekige of driehoekige platen in metaal, aan elkaar bevestigd met scharnieren. Als je één onderdeel vouwt of plooit, beweegt het hele beestje mee. Het is alsof hij reageert, en daardoor blijf je ermee spelen, tenminste toch met de twee proefexemplaren die het PSK vooraan ter beschikking stelt.

In 1964 maakt ze rubberen 'Kruipers', slappe geometrische structuren die kronkelen als kwallen of slangen. En zo komen we logisch uit in de zaal met de 'voorstellen' die Clark sinds 1966 heeft ontworpen, waaronder de tunnel. De oudste voorwerpen zijn hier de eenvoudigste, zoals het opgeblazen plastic zakje waar je een steen tegen aan moet drukken, tot het steentje plots wegspringt. Zulke objecten kun je opvatten als poëtische analogie van het lichaam. Ze verenigen tegenpolen als zwaarte en lichtheid, volheid en leegte, binnen en buiten. Ze zijn als lichamen, die gesloten en vol aanvoelen, maar ook ademen, lucht opzuigen en leegte omsluiten.

Gaandeweg vleit haar taal zich tegen het lichaam aan, en wordt kledij, masker, vel of omhulsel. De toeschouwer ervaart geen 'werk' meer, maar langs het werk zichzelf. Of zichzelf in relatie tot de anderen, want vanaf '68 roept Clark ook 'biologische architecturen' in het leven, waarbij verschillende deelnemers opgaan in een 'sociaal' lichaam.

Ons lichaam is ons binnenste maar, zo weet Clark, juist dat binnenste is ons het vreemdst. Het staat buiten onszelf. Dat 'buiten' wil ze ons in herinnering brengen, en als geheugensteuntje ontwerpt ze haar lichaamspoëtica. Kunst wilde ze eigenlijk niet maken, en ten slotte zou ze ook therapeute worden.

In een kleine zaal van het PSK mag je op een matras met piepschuimbolletjes gaan liggen, om er met zogeheten 'relationele objecten' te worden behandeld. Er liggen onder meer plastic zakjes gevuld met water of zand, een kussen met piepschuimbolletjes, en een lange kartonnen buis waarmee de 'therapeut' lucht uitblaast over je hoofd.

Clark leek wel elke vorm van vervreemding te willen tegengaan. Ze wilde de kloof dichten tussen taal en lichaam, individu en collectief, kunstenaar en maatschappij. De teksten die je van haar in de catalogus leest, klinken soms bijzonder gedateerd, en de idee van een 'pre-verbale' communicatie vind je ook in bedenkelijke vormen van psychotherapie. Maar het gekke is dat die opvattingen haar werk niet doen verbleken. De objecten van Clark hebben nooit het muffe pathos van zoveel 'lichaamskunst' uit die dagen. Het zijn poëtische instrumenten. Hun schoonheid bevrijdt je van elke dwang tot interactie, en de handelingen waartoe ze aanzetten, bewaren altijd iets van een luchtig spel. Het is alsof Lygia Clark wel weet dat ze naar iets onmogelijk verlangt, en enkel maar op dat verlangen verliefd is geraakt.