Een 'crooner' voor alle tijden

Tony Bennett, Ned.3, 19.26-20.26u.

Vorige maandag zond de NPS een documentaire uit over de gouden jaren van Frank Sinatra. Nu ja, een documentaire - het was een goedkoop rommeltje van Franse makelij, dat na een half uur opeens plaats maakte voor schitterende opnamen die begin jaren zestig in Sinatra's voetspoor werden gemaakt door een Amerikaanse cameraploeg, en waar tenslotte nog een paar losse nummertjes van latere datum aan waren vastgeplakt.

Het bleek de start te zijn van een reeksje over Amerikaanse vocalisten (Ray Charles volgt ook nog), waarin vanavond wèl een ordentelijk programma met een kop en een staart te zien is. Het werd anderhalf jaar geleden voor de BBC gemaakt door Reggie Nadelson en Leslie Woodhead, onder de oorspronkelijke titel Tony Bennett's New York. Een nieuwe cd was, zo te zien, de aanleiding.

Maar desondanks blijft de film niet steken in pure promotie. En in elk geval is Bennett vaak zingend te zien, met een voortreffelijk jazz-trio onder leiding van pianist Ralph Sharon. 'The best is yet to come' is zijn openingsnummer, en je zou het van de nu 72-jarige zanger haast geloven. Zijn stem is gruiziger en zachtjes aangebrand geraakt, maar hij swingt als de beste en weet de lange noten zo goed te doseren, dat je ze elders helemaal niet meer mist.

Reggie Nadelson, die een nogal idolaat interviewster is, brengt Bennett op de achterbank van een limousine naar het armoedige Astoria, waar hij als zoon van een Italiaanse immigrant zijn jongensjaren doorbracht. Het is maar twintig minuten, zegt ze, van Astoria naar het midden van Manhattan, waar hij nu woont, met uitzicht op Central Park. Terwijl de Crosby's en de Sinatra's naar de westkust trokken, is Tony Bennett altijd in New York gebleven. Men zou willen weten waarom, maar die vraag wordt hem niet gesteld.

Wel duikt de voormalige orkestleider Mitch Miller op, wereldberoemd van de River Kwai-mars, maar daarnaast ook als producer verantwoordelijk voor tientallen hits van anderen. Hij is nu een bejaard, maar kwiek ogend kereltje, dat vergenoegd vertelt hoe hij Bennett destijds tot charmezanger heeft gekneed - en hoe slim hij hem heeft overgehaald tot het zingen van commerciële nummertjes.

Ook raakt de documentaire even aan de donkere dagen toen Bennett met zijn great American songbook uit de mode raakte. De platenmaatschappij vroeg hem een nummer van Janis Joplin te zingen. “You do it,” luidde zijn antwoord. Hij weigerde zijn standaardrepertoire in te ruilen voor nieuwe nummers van jongere songschrijvers. Over het waarom spreekt hij zich hier niet uit, maar misschien is zijn liefdesverklaring aan de Gershwins, de Kerns, de Porters en de Berlins veelzeggend genoeg.

Dat hij een jaar of drie geleden niettemin hip en cool werd bevonden door de MTV-generatie, blijkt grotendeels het werk te zijn van Danny Bennett, de zoon die zijn manager werd. “Meestal wordt de artiest aangepast aan de markt,” zegt deze. “Wij deden het omgekeerde: wij hebben de marketing aangepast aan de artiest.” Het resultaat was een gesoigneerde zwart-wit-clip, en schaterlachend vertelt één van de geïnterviewden dat Tony Bennett prompt door MTV werd geannonceerd als een nieuwe sensatie.