De vorige eeuw

Het gemis begint al als het afscheid alleen maar nadert, als de geliefde er nog gewoon is.

Akelig snel komt de volgende eeuw er aan, en wat ik zo zal missen is niet deze eeuw, maar de vorige, die dan onherroepelijk achter de horizon zal verdwijnen. De twintigste eeuw, dat ben ik zelf, dat zijn wij allemaal. Hij zit in onze botten en onze biografieën, wat doet het ertoe of zo'n jaartalletje verspringt?

Maar de negentiende eeuw raakt binnenkort uit ons gezichtsveld. 'De vorige eeuw' - alleen al het feit dat die woorden ongeldig worden, niet meer toepasbaar zullen zijn op de vertrouwde manier is raar. Er is een passage in Carry van Bruggens roman Eva, waar twee kinderen op de eerste dag van het jaar 1900 zitten te mijmeren over de verandering. Zij bedenken dingen die vanaf vandaag bij 'de vorige eeuw' horen, zoals de slag bij Waterloo en de dood van Napoleon. Op de eerste dag van de Nieuwe Eeuw is het alsof je een grote koepel binnenkomt, vinden zij, een lege ruimte, terwijl de Oude Eeuw juist propvol is.

Diezelfde Oude Eeuw is al jaren mijn lievelingseeuw, en niet alleen omdat mijn grootouders er zijn geboren. Het is de tijd waarin de wereld ineens feestelijk werd en groot, of misschien beter gezegd klein, want de mensen gingen voor het eerst massaal op reis, ze stapten in de trein of lazen in geïllustreerd drukwerk hoe het in andere landen was.

Kun je wel gevoelens hebben voor eeuwen? Ik geloof het wel, al was het maar omdat ik ze zelf heb. De zeventiende eeuw is een streng, vreemd land waarvan je eigenlijk al niets meer begrijpt. Je bent ietwat verbaasd als je in een gedicht of een schilderij uit die tijd iets aantreft dat volkomen menselijk en herkenbaar is. De peinzende blik van Bathseba op Rembrandts schilderij, of een centsprent met spelende engeltjes, voor kinderen. Of was die toch voor grote mensen? Je weet het niet.

De achttiende eeuw is luchtiger, er was tenminste pret en spot; Voltaire is nog steeds grappig. Het leven zelf was nog vreselijk ongemakkelijk, beperkt en vies, maar daar letten ze toen niet op. Er zijn maar weinig moderne mensen die zich echt thuis zouden hebben gevoeld in de achttiende eeuw. Nancy Mitford (1904-1973) was zo iemand (het is onbegrijpelijk dat niemand haar Voltaire in Love kent). Voor mijzelf is de achttiende eeuw een beetje te chic.

De negentiende eeuw is dikker en grover, hij is onmiskenbaar een beetje vulgair. Een eeuw van crinoline-japonnen in paars en knalgroen, van protserige bankgebouwen. Maar wat een weelde aan verschillende dingen, uitvindingen, veranderingen! Zoveel zegeningen bracht hij. De narcose, god zij geloofd. De fotografie, hoe zou je zonder kunnen leven? De trein, vervoer voor iedereen. En dan de kunst, veelvormiger dan zij ooit geweest was.

Als een kleine bijdrage aan het grote afscheid hebben ze in museum Boijmans van Beuningen een tentoonstelling gemaakt die 'Het museum van de negentiende eeuw' heet. Een parmantige, maar wel passende naam, want de negentiende-eeuwers waren zelf dol op brede overzichten, op panorama's. Wereldtentoonstellingen zijn een typisch negentiende-eeuwse uitvinding. Het museum zelf trouwens ook.

Daar in Boijmans zijn weliswaar geen stampende machines en Balinese danseressen te vinden, zoals op de eerste wereldtentoonstellingen, maar er is schilder-, prent- en tekenkunst en ook nog kunstnijverheid, waardoor de veelvormigheid van de negentiende eeuw toch wel tot haar recht komt. Heel wereldtentoonstelling-achtig is de aanwezigheid van twee smeedijzeren kapstokken en een paar fraaie boekbanden.

Een Duitse kunsthistoricus, Werner Hofmann, heeft in een mooi boek over de negentiende eeuw de term das entzweite Jahrhundert gebruikt: de gespleten eeuw. Nu weet ik wel dat het bezit van twee zielen in één borst (in het moderne taalgebruik heet dat iets heel dubbels) een cliché is en niets anders - maar zij hebben het uitgevonden, in die ernstige, enthousiaste, hypocriete, onverschrokken eeuw.

De kunst is er niet te veel van onze moderne maatstaven op los te laten. In 'Het museum van de negentiende eeuw' zag ik voor het eerst een schilderij van A.H. Bakker Korff dat ik echt mooi vond: ja, die kneuterige Bakker Korff. Een minuscuul schilderijtje in tinten tussen steenrood en okergeel. Twee dametjes zitten aan een tafel, één is herstellende van een ziekte, die heeft een groot kussen en een omslagdoek. Het tweetal is druk in gesprek, en de enorme gouden schilderijlijst versterkt de intimiteit van hun samenzijn.

Toch: doet iets in de theatrale aankleding van dat tweetal niet denken aan de decadente prenten van Félicien Rops die verderop hangen, verborgen achter gordijntjes van grijs vilt? Rops' fatale vrouwen zijn op een heel andere manier artificieel dan de dametjes van Bakker Korff - maar ik heb wel eens gelezen dat die dametjes eigenlijk verklede vrienden van hem waren, wat weer een verrassend licht op de zaak werpt.

Prachtige, prachtige dingen. Zondoorstoofde landschappen van Monet, een binnenplaats van Jac. van Looy, ploeterende wevers van Van Rappard, waanzinnige kristallen siervoorwerpen uit Oostenrijk (hoe komen die in het museum?). Een dramatisch houten beeldje, 'Drie heilige vrouwen', van George Minne. En niet te vergeten een zaal met portretten op papier, van Renoir tot Roland Holst. Echte mensen, die in je ogen springen alsof ze gisteren nog leefden.

Wat een eeuw. Ernstig, dat wel. Er viel weinig te lachen in de negentiende eeuw - maar is dat in het leven niet net zo? En als iemand dan eens een grapje maakt, zijn hoge hoed verliest of in de lach schiet over een al te pompeus schilderij, is de opluchting des te groter.