Allemaal boeren

“We gaan naar buiten”, zegt Vito. Vito is mijn zwager, hij heeft vijftien jaar in Nederland gewoond en daar heeft hij zijn eigen Nederlandse taal gemaakt. 'We gaan naar buiten' is 'laten we naar buiten gaan'.

En gelijk heeft-ie. Het is hier, in een klein Toscaans restaurantje, veel te warm, we hebben niet lekker maar toch te veel gegeten, te veel gedronken, er is te veel herrie en het duurt allemaal weer veel te lang.

“Breng me de rekening naar buiten”, zegt Vito, althans zoiets begrijp ik.

“Si, si va bene”, zegt de hevig zwetende en gesticulerende eigenaar. Hoe lang zal deze nog leven, vraag ik mij af. Tjonge jonge wat maakt deze man zich druk. Knettergek word ik van hem, zo druk doen, en dan nog alles fout doen. Vito heeft gelijk, wegwezen.

Weg hier nu, dat is het belangrijkste, de straat op.

Alsof we van de hel naar de hemel zijn verhuisd, staan Vito en ik een paar minuten later op de stoep van de Tratoria.

“Wat een zooitje hè”, begin ik.

“'Ans, 't is Toscane jonge. Ze krijgen hier die poten niet oppe de grond. Ze zijn niet organisiert, begraipe je? Ier begint 't al.”

Naast voetbal, is kankeren op het zuiden de laatste jaren het favoriete stokpaardje van iedere Noord-Italiaan. Maar dat het zuiden hier, zo noordelijk al begon, dat is nieuw voor me. Dus luister ik graag nog even.

“Hier, in Toscane, gaat het al mis, Vito?” speel ik verbaasd en oprecht.

“O ja jonge, ze zijn boeren, rijke stomme boeren, ze kunnen niets. Ze hebben geen industria zoals wij in het Noorden, weet je. Boeren - ze zijn 't. Of zoals hier aan de kust, een beetje toerisme hebben ze. En in de winter doen ze niets. Verschriekelijk is het, niets kunnen zij.”

Een slungel van een jongen met lang rood krulhaar rijdt ons nu met z'n scooter bijna van der stoep af en begint iets naar binnen te gillen. De eigenaar schreeuwt iets terug.

“Wat zei die jongen, Vito?” vraag ik.

Zichtbaar geïrriteerd maar bloedserieus wendt Vito zich tot me, en hij fluistert: “Hij zoeke z'n vader, die loel, ik zei het je toch jonge, zo stom zijn ze.”