Onder ede

Op de redactie van Opzij willen ze de Amerikaanse president laten castreren. Niet met een slagersmes zijn ballen eraf, maar langs farmaceutische weg 's mans seksuele aandriften voorgoed smoren. “Hier op de redactie zeggen ze: chemische castratie!” onthult hoofdredacteur Cisca Dresselhuys in het Algemeen Dagblad. “Maar”, voegt ze er aan toe, “dat zijn jonge collega's, ik vind therapie voldoende... Er moet wat aan worden gedaan.” Clinton moet dus, zoals men dat zo smerig-eufemistisch over katers zegt, nodig worden 'geholpen'.

De perversie die de Amerikaanse politiek en het Amerikaanse rechtssysteem in een verstikkende greep heeft, lijkt naar deze kant van de Atlantische Oceaan over te waaien. Opruimen van homo's (door een deerniswekkend mannetje dat jolige stukjes in de Volkskrant schrijft), castreren van overspelige echtgenoten (door jonge Opzij-redactrices), laten behandelen (door Cisca Dresselhuys). Berechten, aan ijzer en vuur onderwerpen, vierendelen en verzuipen: we zullen ze wel te pakken krijgen, de viezerds die aan seks doen!

Waar doet die heksenjacht me toch aan denken? Ik aarzel tussen de Inquisitie van de katholieke kerk en het McCarthyisme in de jaren vijftig. De vergelijking met Joe McCarthy spreekt me het meest aan wegens het pseudo-juridische karakter van de kruistocht. Evenals de hysterie die de beruchte Republikeinse senator in de jaren vijftig ontketende tegen alles wat progressief was, wordt de jacht van speciale openbare aanklager Starr op Clinton gekenmerkt door oneerlijkheid, opportunisme, minachting voor privacy en vooral: misbruik van de mogelijkheid om iemand te dwingen een verklaring onder ede af te leggen. De pervertering van dit systeem leidde een paar decennia terug tot duizenden veroordelingen wegens hetzij meineed, hetzij minachting voor het gerechtshof of voor het Congres.

Clinton stond voor hetzelfde dilemma als de politiek vervolgden van weleer. Wie weigert bepaalde vragen te beantwoorden, pleegt een misdrijf (contempt). Onder McCarthy leverde dat al gauw een jaartje of zeven in een federale gevangenis op. Als iemand wel getuigde, maar het antwoord beviel niet, dan lonkte de gevangenis wegens meineed (altijd bewijsbaar door middel van tegengestelde verklaringen van omgekochte informanten). Wat restte is de mogelijkheid van een beroep op het Vijfde Amendement: “Ik weiger te antwoorden, omdat ik daarmee mijzelf zou beschuldigen.” Maar volgens McCarthy betekende een beroep op het Vijfde Amendement automatisch een sluitend, positief bewijs van schuld. Men erkende dan immers dat de waarheid het daglicht niet kon verdragen.

De parallel met de positie van getuige Clinton dringt zich op. Als de president in de Paula Jones-zaak had geweigerd te vertellen over zijn seksleven, zou hij contempt of court hebben gepleegd. Had hij zich echter op het Vijfde Amendement beroepen, dan was dat uitgelegd als impliciete erkenning van schuld aan een misdrijf. En toen hij om die reden wel getuigde, maar niet uit eigen beweging verklaarde dat gepijpt worden een seksuele relatie impliceert, pleegde hij in de ogen van Starr meineed. Nu hij die 'ongepaste' (volgens welke juridische norm?) relatie alsnog heeft toegegeven, is hij politiek gecastreerd. Cisca en haar redactie hoeven hem niet meer te 'helpen'.

Het is bij de politieke processen van de jaren vijftig en bij het seksueel-politieke proces tegen Clinton niet anders dan bij de waterproef die vermeende heksen in de Middeleeuwen moesten ondergaan. Als zij verdronken, waren zij onschuldig. Verdronken zij niet, dan werden zij verbrand, sterven moesten ze hoe dan ook.

De heksenproef was een godsoordeel en dat is de historische overeenkomst met de eed, waarvan het bindende karakter eveneens is gebaseerd op God Almachtig. Stelt de eed tegenwoordig nog wel iets voor, nu er niet meer de kracht van een godsoordeel aan wordt toegekend? Volgens niemand minder dan prof. Blom, directeur van het RIOD, moet je eigenlijk geen waarde meer toekennen aan verklaringen onder ede, aangezien hem gevallen bekend zijn van meineed. Hij zei dit in het kader van zijn persoffensiefje tegen een eventuele parlementaire enquête na de val van Srebrenica, bevreesd als hij is dat zo'n enquête het RIOD-onderzoek zou doorkruisen.

Kijkend naar Amerika kan ik Bloms scepsis over verklaringen onder ede wel enigszins begrijpen. Daar is het horen van getuigen verworden tot een politiek spel, een middel om mensen in een strafrechtelijke val te lokken of aan de heksenproef te onderwerpen. Ook kan ik me wel iets voorstellen bij de twijfels van Blom aan de meerwaarde van een parlementaire enquête als ik lees dat de politieman Langendoen, die ervan wordt verdacht meineed te hebben gepleegd tijdens zijn verhoor voor de commissie-Van Traa, eervol ontslag en een buidel geld toe dreigt te krijgen.

Maar is een parlementaire enquête zinloos omdat er toch maar meineed zou worden gepleegd? Dat lijkt me nu weer het andere uiterste. Bij een parlementaire enquête betekent de mogelijkheid mensen onder ede te horen dat zij zich niet kunnen verschuilen achter dienstbevelen van meerderen en de vuile was naar buiten moeten brengen.

De scepsis van Blom zou begrijpelijk zijn als een enquête naar Srebrenica tot doel had zondebokken aan te wijzen. Maar als het de bedoeling is uit te zoeken wie waarvoor verantwoordelijk is, lijkt de vrees van Blom voor een parlementaire enquête me ongegrond en zelfs enigszins verdacht.

Waarom zou er geen enquête naast een RIOD-onderzoek kunnen plaatshebben? Ook het beleid van de Nederlandse regering in Londen in de Tweede Wereldoorlog is zowel door een enquêtecommissie als door het RIOD onderzocht. Een parlementaire enquête is nu eenmaal een methode van waarheidsvinding waar het RIOD geen bevoegdheid toe heeft.

Misschien vreest Blom dat een enquête tot een vorm van heksenjacht leidt, vergelijkbaar met het recente seksuele McCarthyisme in Amerika. Maar wie kwaad denkt, zou iets anders kunnen veronderstellen, namelijk dat de regering het RIOD a priori heeft ingeschakeld om te ontkomen aan een enquête. Niet? Wie durft daar een eed op te zweren?