Nooit te oud om te promoveren

OP 26 OKTOBER 1994 schreef NRC Handelsblad: “Vijftig jaar na voltooiing van zijn proefschrift zal de 80-jarige G. Hes volgende week alsnog promoveren aan de Katholieke Universiteit Tilburg.” In Oss zijn de gebouwen van Organon alom aanwezig. Gustaaf Hes, voormalig directeur, promoveerde op het onderwerp 'Risico als economisch phenomeen'. Een forse joodse man in een wit colbertjasje, een sprekend, melancholiek gezicht met grote ogen achter een dikke bril. Hij vertelt in één adem door over zijn veelbewogen leven, waarbij hij verhalen en emoties over het lot van de joden in de oorlog zorgvuldig mijdt. “Ik ben hier in 1914 geboren en studeerde van 1931 tot 1936 economie in Tilburg. De Hogeschool was opgericht in 1927, er waren ongeveer vijf professoren.

Ik koos economie niet omdat ik het leuk vond, maar omdat het relatief goedkoop was. Na mijn studie moest ik in dienst. 's Avonds zat ik in de boeken, want ik wilde promoveren. Twee onderwerpen hielden me bezig: het geldwezen en handel, waar zeer weinig over gepubliceerd was, maar ik had er moeite mee. Je kunt alles handel noemen. de man die op de markt staat of veters vent, maar ook het verzekeringswezen.” We praten in de huiskamer van een villa in een wijk voor de welgestelden van Oss. Hes steekt een sigaartje op. Op de salontafel staat een portret van zijn overleden vrouw, er liggen enkele uitgaven van The Economist en het fotoboek Joods Amsterdam. Hij vertelt: “Na mijn studie kon ik geen baan krijgen. Economie was een nieuwe wetenschap, het woord econoom bestond nauwelijks. Ik werd stagiair bij Organon. Familierelaties speelden toen nog een rol. 'Ga maar door het bedrijf heen, misschien kun je wat rapporten maken.' Ik liep er te niksen, de rapporten verdwenen in een la. Ik ging accountancy studeren, maar liep ernstig oogletsel op bij een herhalingsoefening. De oogarts zei me niet meer met cijfertjes te werken.” Hes keerde in 1939 terug bij Organon. De nieuwe directeur was een econoom, die zijn rapporten opzocht en goed vond. “Toen kreeg ik volwaardig werk. Maar met de ellende van de oorlog kwam ook mijn ontslag. Met mijn vrouw ben ik ondergedoken in een klooster in Batenburg. We leefden in een badkamer met kapotte ruiten.

En wat doe je dan? Lezen, spelletjes en ruziemaken. Eén keer per dag kwam een krantje waar niets in stond. Het idee van een proefschrift kwam weer boven. Al filosoferend ontstond langzaam een theoretische beschouwing over risico waar ik me wel senang bij voelde: hoe staat de gemeenschap tegenover risico, hoe is risico over de mensen verspreid, bestaat er in communistische maatschappijen risico? Daarnaast schreef ik meer praktische stukken over risico en handel.” Hij zat anderhalf jaar ondergedoken en veranderde acht keer van adres. “Ik had geen papier, geen boek, niets. Dus mijn vrouw moest alle zakjes van suiker en zo bijeen scharrelen. Zij vond het maar pornografie, als iets wat niet bij ons soort mensen hoorde. In de winter zat ik met handschoenen aan te schrijven. Via bekenden kreeg ik boeken van de Hogeschool en een vriendin, die hoofd van de typekamer van Organon was - ze zat in het verzet en is in een concentratiekamp gestorven - liet het uittypen, onder het oog van de Duitsers die er rondliepen. Een van die juffrouwen, mevrouw Kreymborg, is nog bij de promotie geweest. Ik schreef het proefschrift in een jaar, maar ik heb er meer uren in zitten dan in de meeste andere proefschriften het geval is.” Na de oorlog maakte hij bij Organon, waar zo'n 300 mensen werkten, de pioniersperiode mee. Hij liep alle afdelingen af: inkoop, marketing, productieleiding en werd uiteindelijk directeur van Akzo-Pharma. Toen hij wegging werkten er 7.000 mensen.

“Pas in de zomer van 1993, zeventien jaar na mijn pensioneren, dacht ik: Laat ik die koffer eens openmaken. Na de oorlog had ik er geen belangstelling voor. Ik moest werken en er speelden veel problemen die onoplosbaar leken. Ik had het nooit eerder getypt gezien en begon te lezen: Ja, dat klopt allemaal wel. Ik zag ook dat er veel aan geknutseld moest worden. Het was bijna onleesbaar, in de taal van die tijd. Er zaten ook veel herhalingen in de tekst. Achteraf begrijp ik dat wel, ik kon het niet meer raadplegen, het lag bij Organon. Tegen een van mijn vriendjes zei ik: 'Doe me een lol en lees het. Jij bent later afgestudeerd.' Hij raadde me aan een professor te zoeken. Van de Klundert vond het minstens even goed als de proefschriften die op dat moment verschenen.” Hes schreef voor- en nawoord en schrapte een gedeelte over de handel. “De epiloog, 'Na 50 jaar', moest ik, als een kleine jongen, enkele keren overdoen. Mijn theorie is dat de problematiek rond risico nog steeds onopgelost is. Prognoses komen niet uit. Je kunt wetten opstellen, maar de praktijk is weerbarstig. De gekke-koeienziekte of het vallen van de Muur kun je niet voorspellen. Wubben promoveerde in diezelfde tijd. Ik had vijftig titels, hij wel vijfhonderd, maar hij komt tot dezelfde conclusie.”

Tegen het einde had Hes soms het idee dat hij onzin aan het schrijven was. “Ik voelde me afglijden. Over het theoretische gedeelte was ik zeker, maar dat gedeelte over de handel, de middenstand, met alle regelingen en wetten, vond ik niks toen ik het uitgetikt teruglas.” Als ik hem vraag wat het nut is van zijn proefschrift, zegt Hes: “Ik heb begrippen en problematieken verduidelijkt. Het heeft actualiteitswaarde, omdat er geen proefschriften zijn verschenen met een andere conclusie. Als ik stukken teruglees, denk ik: Dat heb je goed gedaan. Er verschijnen ontelbare publicaties over risico-beheer, risico-management, risico-profiel - begrippen die ik heb aangeduid en die nu gemeengoed zijn. Als ik sommige artikelen lees, begrijp ik niks meer van die wereld, allemaal hogere wiskunde. Ik ben in al die jaren twee keer aangehaald. Maar ik heb er plezier van. Het is goed zo.”

Bij de promotie zei een hoogleraar: “U heeft Keynes nergens genoemd.” “Ik zei: 'Nee, die was er toen nog niet.' Ik kon moeilijk achteraf economen opvoeren, die er niet waren. De promotie was een mediahype: radio, televisie, veel artikelen en wel duizend foto's. Een vreselijk leuke tijd. Ik werd uitgenodigd bij Sonja Barend en de Ontbijtshow, maar dat heb ik niet gedaan.” Hes werd zelfs in het Guinness Book of Records vermeld. Hij typeert zichzelf als stug, integer en introvert. “Ik sluit niet gauw vriendschap en noemde mensen op het werk niet bij de voornaam. Hij heeft vier kinderen, woont alleen en heeft 'een juffrouw' die elke morgen komt. Over zijn bezigheden nu: “Ik heb een boekje geschreven over joden in de oorlog, 'Opdat zij niet vergeten worden' en ik werk met enkele historici samen aan andere boeken. En ik reis weer veel. Dit jaar was ik al in Amerika, Griekenland, Malta en Israel. Na mijn pensioneren in 1976 maakte ik ook veel reizen met mijn vrouw. Later kwamen de gezondheidsproblemen. Zij overleed enkele jaren geleden. “Veel mensen van de fabriek komen nog een borreltje drinken, jongens die ik aangenomen heb, die nu bijvoorbeeld president-directeur zijn. Vanwege het 75-jarige bestaan van Organon komt er een jubileumboek uit, waarin ik vrij gunstig uit de bus kom. Ik ben niet de oprichter, maar hoor wel bij de pioniers.” Als ik thuis zijn proefschrift doorneem, valt mijn oog op zijn laatste stelling: 'Men is nooit te oud om te leren.' Dit is het zevende en laatste deel van een serie over eigenwillige promovendi.