KLEURENBLINDEN ZIEN BETER IN HET DONKER DAN KLEURENZIENDEN

Veel handicaps als gevolg van genfoutjes hebben zich waarschijnlijk in de bevolking gehandhaafd doordat ze toch voordeel opleveren. Het gen voor taaislijmziekte bijvoorbeeld biedt aan dragers (1 op de 300 personen in de Westerse bevolking) van één kopie van het ziekmakende gen bescherming tegen cholera.

Goed kleuren zien biedt mensen en primaten vanouds bij het voedselzoeken duidelijk voordelen. Toch komt kleurenblindheid voor bij acht procent van de mannen (en bij een kwart procent van de vrouwen). Kleurenblinden compenseren dat gebrek, aldus de aan de Universiteit van Groningen verbonden biologen S. Verhulst en F.W. Maes, doordat ze beter in het donker kunnen zien (Vision Research, augustus 1998).

Kleurenzien gebeurt met lichtgevoelige kegeltjes in het centrum van het netvlies. Kijken in het donker gebeurt met de staafjes die langs de randen van het netvlies hun grootste dichtheid hebben. Er zijn drie soorten kegeltjes: ze zijn gevoelig voor blauw, rood en groen licht.

Het is gebruikelijk dat jongerejaars biologen in Groningen elkaar testen op kleurenzien en op de drempel waarbij ze licht nog van absolute duisternis onderscheiden. In de jaren 1991 tot 1996 zijn de testresultaten bewaard van 326 studenten. Om kleurenblindheid vast te stellen laten de biologen elkaar de bekende cirkels met stippen (de Ishihara-platen) zien waarin cijfers moeten worden ontwaard. Dertien studenten (2 vrouwen, 11 mannen) van de 326 waren kleurenblind.

Het nachtzien testten de biologen in spe door eerst twee minuten van nabij naar een hel van achteren verlicht wit filter te kijken, om iedereen een gelijke uitgangspositie te verschaffen. Daarna keken de proefpersonen naar een klein gat (9 bij 9 centimeter) in de deur van de donkere kamer waarachter een lamp brandde. Voor de lamp zat een kleurfilter (zes verschillende kleuren werden gemeten) en een wisselend aantal filters waarmee het licht werd afgeschermd. Iedere minuut in een sessie van een half uur moesten de proefpersonen aangeven of ze het lamplicht konden onderscheiden van het donker in de donkere kamer. In die tijd raakten ze steeds beter aan het donker gewend. Verhulst en Maes brachten de resultaten van beide tests met elkaar in verband.

De dertien kleurenblinden hadden bij alle kleuren licht driemaal zo weinig licht nodig om het lamplicht nog als licht te ontwaren. Daarmee onderscheidden ze zich als groep duidelijk van de overigen.

Hoe het komt dat de kleurenblinden driemaal minder licht nodig hebben dan de kleurenzienden is onbekend. Kleurenblindheid is, concluderen Verhulst en Maes, misschien niet zozeer een visuele handicap als wel een andere manier van kijken. Evolutionair gezien is (bij het voedsel zoeken en het ontwaren van vijanden) het in het duister kunnen kijken waarschijnlijk even belangrijk als goed kleuren kunnen zien.