Het is speuren naar kunst op het Triple X festival

Tentoonstelling: Original Perdu/Triple X. Met o.a. Aernout Mik, Joke Robaard, Voebe de Gruyter, Peter Snel, Harmen Brethouwer, Harmen de Hoop. Westergasfabriekterrein, Amsterdam. Dag. 13-18u. T/m 30 augustus.

Soms zijn kunstenaars zelf hun ergste vijand. Niet doordat ze slecht werk maken, of zich tijdens hun arbeid onherstelbaar verwonden, maar doordat ze zich tot doel hebben gesteld hun kunst 'op te laten gaan' in de omgeving. Dat mag bescheiden klinken: wanneer zo'n kunstenaar daar echt in slaagt ziet niemand nog iets van zijn werk terug.

Een mooi voorbeeld van zo'n paradoxaal project is 301 steps (Daylight/Tungsten) van de Nederlandse kunstenaars Arno van der Mark en Jan van Grunsven, die het presenteren op de Triple X-tentoonstelling in Amsterdam. In samenwerking met de gemeente Den Haag richtte het tweetal op ongebruikelijke wijze een stuk weg in. De ene helft van de beschikbare ruimte werd een straat, verdeeld in drie stroken: een voor autoverkeer, een voor fietsers en bromfietsers en een voor voetgangers. De andere helft werd een 'eco-ruimte': het watertje naast de weg, de Schenk, werd twee keer zo breed gemaakt en in het vrijgekomen water werden eilandjes aangelegd met zwarte elzen erop, en riet. Daarmee is 301 Steps geen beeld maar een ingreep, nauwelijks te onderscheiden van het werk van planologen of wegenbouwers - zo goed als anoniem en onzichtbaar.

Dat ging Van Grunsven en Van der Mark blijkbaar toch iets te ver en dus presenteren ze hun project nu ook op Triple X - ze maken er zelfs duidelijk werk van. 301 Steps wordt getoond op mooie, veelkleurige borden, en daarop zien hun ideeën er inderdaad intrigerender uit dan de duizenden kilometers asfalt die Rijkswaterstaat jaarlijks aan het wegennet toevoegt. Maar daarmee is het project ook, of de makers dat nu willen of niet, kunst geworden.

Op Original Perdu, zoals de jaarlijkse Triple X-tentoonstelling dit maal heet, worden meer van dit soort projecten gepresenteerd - kunst die nauwelijks nog als kunst te onderscheiden is, of die nadrukkelijk flirt met andere disciplines. Zo komt Janske Hombergen met een compacte 'living unit', bestaande uit een tafel, een bed, kasten en stoelen op enkele vierkante meters. En Joke Roobaard toont grote foto's van groepen mensen, die hun spanning vooral ontlenen aan het feit dat ze moeilijk te kwalificeren zijn: zijn het portretten? Reclame? Nieuws? Dat zulke disciplinevervaging ook flauw kan worden blijkt uit de presentatie als kunstwerk van Damien Hirst's monumentale, vorig jaar verschenen overzichtsboek - het voornaamste doel daarvan lijkt Hirst als 'deelnemer aan de tentoonstelling' te kunnen opvoeren.

Dan liever het werk waarbij echt wordt ingegrepen. Peter Stel bijvoorbeeld, komt met een intrigerende cut in de film The Hit van Stephen Frears. In de oorspronkelijke film zien we, op het moment dat 'hitman' John Hurt slachtoffer Terence Stamp bij een waterval bijna te pakken heeft, de twee mannen om en om in beeld. Stel heeft de film echter uit elkaar geplozen en alle stukken met Hurt en alle stakken met Stamp op afzonderlijke films gezet, daarbij de fragmenten vloeiend in elkaar over laten lopen. Plotseling zijn de twee geen tegenstanders meer: twee oude mannen zijn het geworden, verbaasd over het feit dat ze niet meer in dezelfde film zitten.

Hoe wankel het evenwicht tussen subtiel en onzichtbaar echter is blijkt uit het werk van Harmen de Hoop. Zijn project, gepresenteerd in een klein fotoboekje, lijkt wel wat op dat van Van Grunsven en Van der Mark. Ook De Hoop pleegt ingrepen in de openbare ruimte, in dit geval in het 'Boogschutterplein' in een onbekende stad. We zien foto's van een trapveldje, van een klimrek, van een stuk stoep met slordig geplaatste paaltjes - maar we zien niks bijzonders. Op grond daarvan zou je kunnen stellen dat Harmen de Hoop erin is geslaagd de ultieme symbiose tussen zijn werk en de omgeving te bewerkstelligen. Je zou ook kunnen zeggen dat hij heeft gefaald.