Gekleurde banen

DE ARBEIDSMARKT van Nederland verkleurt. Achter balies en kassa's, op de steigers en op straat, in kantoren en in de zorg: overal duiken steeds meer andere gezichten op. Allochtonen werken in alle sectoren van de samenleving en zelfs, met mondjesmaat, in hoger opgeleide functies en in beroepsgroepen die hun blanke beslotenheid koesteren. Deze verandering doet zich in snel tempo voor en zal zich de komende jaren voortzetten. Op het ogenblik slaagt de sterk aantrekkende economie er in te bereiken wat jarenlang beleid niet goed is gelukt: allochtonen uit de uitkeringsafhankelijkheid halen en aan een inkomen uit arbeid helpen.

Deze positieve vaststelling verdient nuanceringen. Want er is nog altijd sprake van velerlei vormen van discriminatie die de toegang tot de banenmarkt bemoeilijken. Als hedendaagse gilden schermen sommige beroepsgroepen met regelgeving, diploma- of vestigingseisen hun arbeidsmarkt af tegen nieuwkomers.

Het aandeel van allochtonen in de beroepsbevolking neemt weliswaar sterk toe, hun deelname aan de arbeidsmarkt blijft ver achter bij die van de autochtone bevolking. Over twaalf jaar (in 2010) bestaat tien procent van de beroepsbevolking uit allochtonen; over 22 jaar (2020) zo'n 12 à 16 procent. Het Centraal Planbureau (CPB) stelt in de studie Bevolking en arbeidsaanbod (1997) vast dat dit komt door de voortdurende instroom van 'nieuwkomers' als gevolg van immigratie door asielzoekers en gezinshereniging. Deze nieuwkomers zijn overwegend laag opgeleid en missen de voor de Nederlandse arbeidsmarkt relevante scholing. Het CPB schrijft dat het 'in theorie' interessanter zou zijn als er sprake is van de immigratie van hoogopgeleiden (uit ontwikkelingslanden en Oost-Europa) om toekomstige schaarste op de Nederlandse arbeidsmarkt te verminderen. Maar het voegt er aan toe dat dit in werkelijkheid niet gebeurt.

DE BESTE SLEUTEL voor toegang tot de arbeidsmarkt is opleiding. Ondanks de verwachting dat het opleidingsniveau van de allochtone beroepsbevolking (vooral de tweede generatie) aanzienlijk zal verbeteren, blijft er sprake van een kloof met de autochtone beroepsbevolking. Enerzijds blijft hun deelname aan de arbeidsmarkt achter en anderzijds zal hun aandeel aan de 'onderkant' van de arbeidsmarkt toenemen. Het CPB: “De scheidslijn tussen de onderkant en de rest van de arbeidsmarkt valt in toenemende mate samen met het onderscheid tussen allochtoon en autochtoon.”

Waarom blijft het zo lastig om deze kloof te overbruggen? Het Rapport Minderheden 1997 van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) geeft hierover uitsluitsel. De overheidsprogramma's bedoeld voor integratie van minderheden op de arbeidsmarkt functioneren gebrekkig. Er zijn grote verschillen tussen minderheidsgroepen onderling, er zijn ernstige problemen met scholingsuitval, er zijn verschillen tussen de arbeidsdeelname van mannen en vrouwen, vooral jongens en meisjes. Er zijn knelpunten die voortvloeien uit levensstijl, opvoeding, oriëntatie op het land van herkomst en er is de aantrekkingskracht van het criminele circuit. Ook is er sprake van discriminatie op de arbeidsmarkt.

TOT OP ZEKERE hoogte valt hier met overheidsbeleid iets aan te doen. De Wet bevordering evenredige arbeidsdeelname allochtonen functioneert weliswaar niet, zoals het SCP terloops opmerkt, en het is de vraag of het met de herziene wet 'Samen' (Stimulering arbeidsdeelname minderheden) beter zal gaan. Ook bij het Activerend Arbeidsmarktbeleid voor Jongeren en de Jeugdwerkgarantiewet (JWG) zijn de ervaringen matig, al zijn juist deze regelingen van belang om jongeren uit minderheden in het reguliere arbeidsproces te betrekken. De diverse vormen van Melkert-banen beginnen in de collectieve sector wel succes af te werpen, al komt er van doorstroming naar banen in de marktsector niet veel terecht.

Nederland staat voor de uitdaging om in de komende decennia een groeiende, veelal laagopgeleide allochtone bevolkingsgroep in het reguliere arbeidsproces te integreren. Overheidsprogramma's, nadruk op scholing en maatregelen van de sociale partners voor een actief arbeidsmarktbeleid zijn hierbij onmisbaar. Maar de belangrijkste impuls zal komen uit de economische dynamiek. Een groeiende vraag naar schaarser wordende arbeid leidt tot prikkels om nieuwe bevolkingsgroepen in dienst te nemen en op te leiden. Dat vraagt om een andere benadering dan waarvoor tot nu toe gekozen is. Niet het stimuleren van de vraag, maar van het aanbod. Bij een krappe arbeidsmarkt en een groeiende economie komt die vraag vanzelf wel en zal de verkleuring van de Nederlandse arbeidsmarkt in versneld tempo doorzetten. Tot ieders voordeel.