GEEN KOU MAAR JUIST VERNATTING N-ZEELAND TIJDENS JONGE DRYAS

Noordwest-Europa kende op het eind van de laatste ijstijd een laatste koude 'stuiptrekking' (de Jonge Dryas, van ca. 13.000 tot 10.000 jaar geleden). Het lijkt voor de hand te liggen dat toen ook onze 'tegenpolen' in Nieuw Zeeland met een vergelijkbaar koud interval werden geconfronteerd. Als aanwijzing daarvoor gold lange tijd dat de Franz Josef Gletsjer zich daar iets uitbreidde tijdens de Jonge Dryas, wat in het algemeen wijst op een afkoelend klimaat. Maar zo'n uitbreiding kàn ook worden veroorzaakt door meer neerslag in het brongebied van de gletsjer, waardoor ter plaatse de ijsdikte toeneemt, wat gepaard gaat met een hogere druk waardoor het ijs zich plastischer gaat gedragen. De grotere plasticiteit komt tot uiting in een hogere 'stroomsnelheid' van het ijs, en dus in een geleidelijk voorwaarts opschuiven van het ijsfront.

Het ziet er nu naar uit dat dit laatste mechanisme inderdaad verantwoordelijk moet worden gesteld. Onderzoek van stuifmeelkorrels die waren ingebed in de bodems van een aantal meertjes uit de Jonge Dryas, geeft aan dat er nauwelijks sprake was van een veranderende vegetatie, en zeker niet van een duidelijke afkoeling (Science 7 augustus). Als er al een verandering in de omstandigheden optrad, moet dat eerder een vernatting zijn geweest. Daarmee kan de uitbreiding van de Franz Josef Gletsjer niet langer worden toegeschreven aan een klimaatverandering zoals die toen op het noordelijk halfrond optrad.