Architect Jos Klijnen verdiende eeuwige roem; Ontwerpen op tentoonstelling in Heerlen tonen werk dat zijn tijd ver vooruit was

Tentoonstelling: Jos Klijnen. Meester van de situatie. T/m 13 sept. in Vitruvianum, Coriovallumstraat 9 (Het Thermenmuseum), Heerlen. Volgend jaar juni waarschijnlijk in het Nederlands Architectuurinstituut, Rotterdam.

Annemieke Drijber-Vos: M.P.J.H. Klijnen (1887-1973). Individualist en estheet. Uitg. Stichting BONAS/Nederlands Architectuurinstituut, 68 blz. Prijs ƒ 20,50.

De architect Jos Klijnen (1887-1973) had pech. In 1960 waren zijn tekeningen van het nieuwe cultureel centrum in Den Bosch helemaal klaar. Zes jaar had hij gewerkt aan wat zijn magnum opus moest worden en het wachten was slechts op de definitieve goedkeuring door de gemeenteraad. Maar het wachten ging erg lang duren en in 1963 besloot Den Bosch wegens geldgebrek alsnog om de oude schouwburg Het Casino te verbouwen in plaats van Klijnens ontwerp uit te voeren.

Met een uitvoering van zijn spectaculaire cultureel centrum zouden Klijnen en ook Den Bosch ongetwijfeld veel bekender zijn geworden dan ze nu zijn. Zelfs nu schots en scheve gebouwen dank zij het deconstructivisme van de jaren tachtig en negentig al lang geen opzien meer baren, maken Klijnens tekeningen van het cultureel centrum nog steeds indruk. Dat blijkt op de tentoonstelling Jos Klijnen. Meester van de situatie die nu in het Vitruvianum in Heerlen is te zien.

Het dak van Klijnens ronde cultuurcentrum, dat met zijn opeenhoping van glazen piramides nog het meest weg heeft van een kolossaal ijskristal, kent zijn gelijke niet in de architectuur. Nauwelijks minder bijzonder zijn de vele vormen die Klijnen de ramen van het centrum had gegeven. Net als voor het kristaldak had hij hier een functionele rechtvaardiging voor: ze zouden zorgen voor een optimale toetreding van het daglicht binnen in het gebouw. Maar ze wekken toch vooral de indruk dat ze zo zijn ontworpen omdat de architect en geen ander het zo het mooist vond.

Ook veel van Klijnens andere werk werd niet uitgevoerd. De opdracht voor de bouw van het stadhuis van Waalwijk ging bijvoorbeeld niet naar Klijnen, maar naar de traditionalist Kropholler en dat is jammer. Nu heeft Waalwijk een stadhuis dat erg lijkt op dat van Noordwijk, terwijl het met Klijnens gebouw, met zijn curieus geplaatste ramen en het bolle dak met grote overstek, werkelijk iets bijzonders gehad zou hebben.

Iets van wat Klijnen had bedacht voor Waalwijk komt al voor in zijn wel gebouwde katholieke jongensschool in Den Haag, waarvan op de tentoonstelling naast tekeningen en fotos's ook een video te zien. Dit gebouw, dat ook een nu zo modieuze'pet met klep' als dak heeft, dateert uit 1928 en laat zien hoe vroeg Klijnen al zijn eigen stijl had gevonden.

Het was de tijd van het opkomende Nieuwe Bouwen dat het voorlopig nog moest afleggen tegen het overheersende traditionalisme. Maar Klijnen behoorde noch tot het modernistische noch tot het traditionalistische kamp, zo blijkt op de tentoonstelling van Heerlen. Net als kunstenaars beweren architecten natuurlijk altijd dat hun werk niet te categoriseren valt, maar in het geval van Klijnen is dit bij uitzondering ook echt waar: zijn stijl staat op zichzelf en onttrekt zich aan categorisering.

Een andere oorzaak van Klijnens onbekendheid is dat hij nauwelijks iets heeft geschreven. Iedere ambitieuze architect zorgt ervoor dat hij, net als beroemde collega's als Vitruvius en Rem Koolhaas, een zo dik mogelijk boek schrijft: het is, meer dan gebouwen die gedoemd zijn tot verval en zelfs verdwijning, de garantie voor eeuwige roem. Maar hoewel Klijnen als duidelijke opvattingen had over architectuur en stedenbouw, heeft hij ze nooit verwoord. En van zijn vaak niet uitgevoerde ontwerptekeningen zijn er veel verloren gegaan toen zijn huis in Den Haag in de Tweede Wereldoorlog werd getroffen door een bom.

Ook het feit dat Klijnen tijdens zijn lange loopbaan vooral actief was als stedenbouwkundige heeft zeker bijgedragen tot zijn obscuriteit. Stedenbouwkundigen werken in stilte aan plannen die misschien nog wel meer dan architecten het aanzien van onze wereld bepalen, maar ze worden er zelden beroemd mee in grote kring.

Op de Klijnen-tentoonstelling, die voor een belangrijk deel bestaat uit Klijnens plannen voor Maastricht, Venlo, Heerlen en Geleen, wordt weer eens duidelijk waarom. De hoge mate van abstractie die deze ontwerpen noodzakelijkerwijs eigen is, maakt ze alleen genietbaar voor ingewijden.

Leken zullen gauw schouderophalend voorbijgaan aan de de lijnen die stratenpatronen moeten weergeven, al doen de begeleidende teksten nog zo hun best om duidelijk te maken dat Klijnen ook als stedenbouwkundige bijzonder was. Klijnen gaf een belangrijke plaats in zijn ontwerpen aan de infrastructuur, maar vond stedenbouw uiteindelijk toch een kwestie van esthetiek: de wegen, de gebouwen, het groen en het water moesten uiteindelijk toch een 'mooie' compositie vormen.

Maar tegenover de onvermijdelijke saaiheid van de stedenbouwkundige ontwerpen staan de duidelijke tekeningen en maquettes van Klijnens prachtige gebouwen op de tentoonstelling. Ze maken duidelijk dat Klijnen ten onrechte een bijna vergeten figuur is in de architectuurgeschiedenis.