Alle handschriften; NIEUWE CATALOGUS MALEISE MANUSCRIPTEN ONTSLUIT OOK LOSSE BRIEVEN

Na jaren vertraging is het eerste deel van een serie catalogi van Maleise manu- scripten in Nederlandse collecties dan toch verschenen. 'In Indonesië is vierhonderd jaar al heel erg oud.'

TOT DE belangrijkste bezittingen van de Leidse universiteitsbibliotheek behoort een unieke collectie Maleise handschriften. In 1899 ontsloot de oriëntalist H.H. Juynboll de honderden codices voor wetenschappelijk onderzoek met de publicatie van een catalogus. In de loop van de jaren raakte deze verouderd: zowel de Leidse collectie als de bibliografie over die collectie breidden zich uit. Bovendien was Juynboll als filoloog vooral ingegaan op de tekstuele inhoud van de manuscripten, terwijl er nu ook aandacht bestaat voor codicologie: de studie van het uiterlijk en de herkomst van de handschriften.

“Er moest iets gebeuren”, zegt dr. J.J. Witkam, conservator van de Oosterse collecties in Leiden. “Juynbolls catalogus was incompleet. Toen er in 1977 als uitvloeisel van een hernieuwde belangstelling voor de Indonesische handschriften in Nederland in het kader van het cultureel verdrag tussen Nederland en Indonesië geld beschikbaar kwam voor een nieuwe catalogus, was dat de vervulling van een oude wens. Maleis is ook niet zomaar een klein taaltje in een vergeten vallei. Het is de lingua franca van de Maleise wereld, waar Indonesië maar een deel van is.”

Het oudste stuk in de Leidse collectie betreft zestiende-eeuwse korangedeelten en gebeden, geschreven in zwarte inkt op Frans geschept papier voorzien van een watermerk. Het handschrift is waarschijnlijk afkomstig uit het legaat van Joseph Scaliger, vanaf 1593 hoogleraar te Leiden en een van de grootste geleerden van zijn tijd. Witkam: “Indonesische handschriften hebben een totaal andere ouderdomsschaal dan Europese en Midden-Oosterse, waar duizend jaar zo vreemd niet is. In de tropen is de slijtage veel heviger: het is warm en nat, boeken beschimmelen, worden opgegeten door insecten en raken weg. Vierhonderd jaar is dan zeer oud. Ook zijn er in de tijd van de Verenigde Oostindische Compagnie nauwelijks handschriften verzameld, dat begon pas in de negentiende eeuw. Die latere stukken zien er goed uit.”

Het zojuist verschenen deel 1 van de catalogus bevat de Maleise aanwinsten tot 1896. Ook de Leidse handschriften in het Minangkabaus, een sterk aan het Maleis verwante taal, zijn opgenomen. Veel stukken zijn afkomstig uit de verzamelingen van de twee opleidingsinstituten voor Indische ambtenaren: de Koninklijke Academie in Delft en de Rijksinstelling in Leiden, opgeheven in respectievelijk in 1864 en 1877. Een primeur vormt de uitgebreide individuele ontsluiting van de ruim duizend Maleise brieven die als lesmateriaal in de beide Indologische instituten werden bewaard. Witkam: “In de achttiende en negentiende eeuw vond tussen de talloze kleine rijkjes en het bestuurscentrum in Batavia een uitgebreide correspondentie plaats. Die brieven waren qua inhoud én vorm bedoeld om indruk te wekken, ze zijn zo mooi mogelijk gemaakt. Ze vormen een bijna onontgonnen genre. Niet alleen bieden ze een overzicht van de politieke en culturele relaties, ook taalkundig zijn ze interessant. Waar andere catalogi ze alleen groepsgewijs aanduiden, hebben wij ze stuk voor stuk gedetermineerd.”

Het samenstellen van de catalogus ging niet van een leien dakje. In 1977 ging de Indonesische geleerde dr. Teungku Iskandar aan de slag, maar door allerlei omstandigheden is zijn werk onvoltooid gebleven. Witkam: “De hele organisatie van het project was vaag. Hoewel ik er als curator van de Oosterse collecties buiten was gehouden, voelde ik me toch verantwoordelijk. Dr. J. Noorduyn, secretaris van het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde, trok steeds meer naar zich toe en iedereen bemoeide zich ermee, wat de zaak geen goed heeft gedaan. Pas in 1991, toen Noorduyn met pensioen ging, werd mij gevraagd het materiaal over te nemen. Op dat moment bestond dat uit niet meer dan door anderen uitgetypte versies van de onvolledige handgeschreven beschrijvingen van Iskandar, zo ver verwijderd van wat ik als een goede catalogus beschouw dat ik uitbreiding en aanpassing onontkoombaar achtte.”

AFFAIRE-PRONK

De gelegenheid daartoe diende zich aan in 1993, toen na de affaire-Pronk (waarbij de Indonesische overheid veel samenwerkingsprojecten met Nederland opzegde), gelden bij elkaar geveegd konden worden en dr. E.P. Wieringa, expert op het gebied van de Indonesische filologie, een jaar aan de slag kon. Witkam: “Wieringa heeft een nieuwe tekst geschreven, up to date en in omvang ongeveer drie keer zo groot als die van Iskandar. Die was al sinds 1983 vanwege andere werkzaamheden niet langer voltijds bij het project betrokken. Inmiddels is hij gepensioneerd. Hij komt een of twee keer per jaar in de bibliotheek langs, niet de frequentie waarmee je een boek kunt maken.” Een volgende complicatie vormden de wetenschappelijke credits. Iskandar wilde alleen zijn naam op het titelblad vermeld zien, ondanks zijn beperkte betrokkenheid bij het nieuwe boek. Witkam: “Dat heeft een hoop narigheid opgeleverd, zelfs is er met procesgang geschermd. Een vreemde figuur: eerst schrijf je die catalogus niet en vervolgens probeer je te verhinderen dat hij uitkomt als hij klaar is. Onze wegen hebben zich in de zomer van 1996 gescheiden, met als direct gevolg dat Iskandar uit de nu verschenen catalogus is weggeschreven. Wieringa, die alle originele handschriften in handen heeft gehad, heeft ook de bibliografie gecompleteerd. Op driekwart van de brievencollecties liep zijn contract af en aanvaardde hij een betrekking elders. Drs. Joan de Lijster-Streef en ik hebben het werk toen afgerond. Die brieven wilde ik graag in deel 1 opgenomen zien omdat Iskandar ze in zijn werk niet had. Ze benadrukken de eigenheid van de nu verschenen catalogus.”

BOUWSTEEN

De wetenschappelijke waarde van de catalogus is tweeërlei, zegt Witkam. “Het biedt geleerden een totaaloverzicht van de Maleise collecties, nu tot 1896 en straks ook de rest. Verder is zo'n catalogus ook bedoeld als bouwsteen voor een literatuurgeschiedenis, en dan niet een waarin alleen highlights aan bod komen. Zoiets kan alleen gedaan worden als er een zo compleet mogelijke catalogus ligt. En er is flink gestrooid met illustraties, wat ik erg belangrijk vind.”

De komende jaren zullen nog twee à drie delen verschijnen, plus een apart deel voor cumulatieve registers. De Indonesische kant van het project ressorteert onder de Nationale Bibliotheek in Jakarta (waar nu niet veel gebeurt), in Nederland bemiddelt de Akademie van Wetenschappen. Uitgever van de catalogus is het Legatum Warnerianum, de Oosterse afdeling binnen de Leidse universiteitsbibliotheek. Witkam: “In de delen die komen zitten twee grote collecties: die van Van der Tuuk en die van Snouck Hurgronje. Ook de niet-Leidse Maleise collecties nemen we mee, het gaat dan om een paar honderd stukken verspreid over een dozijn instellingen. Hoeveel tijd er mee gemoeid zal zijn, valt moeilijk te zeggen, de omvang van het werk blijkt pas als je er mee bezig bent. Dat valt dus altijd tegen. Via de Akademie is er geld, de omgekeerde wereld eigenlijk, waar daar ontbreekt het nu juist meestal aan. Jammer dat zo weinig mensen in staat zijn dit klassieke materiaal te beschrijven, op het moment hebben we een vacature.”

PRINS BERNHARD

De discussie over de passende plaats van de manuscripten, in 1971 opgelaaid toen prins Bernhard een zeldzaam manuscript uit de Leidse Lombok-collectie aan Indonesië cadeau deed, is verstomd. Witkam: “Een wetenschappelijke publicatie had dat handschrift onder de aandacht van diplomaten gebracht. Dat was voor mijn aanstelling als curator. Naar mijn idee zijn handschriften niet gebaat bij veelvuldig verhuizen. Bovendien zijn brieven eigendom van de geadresseerde en veel stukken zijn op bestelling gemaakt, je kunt nauwelijks zeggen dat er grote collecties stelselmatig zijn geconfisqueerd en en bloc naar Nederland verscheept. Dat is een fabeltje waarin vooral Nederlandse en Indonesische politici geloven.” De toenmalige Leidse bibliothecaris kreeg in 1971 de opdracht het topstuk voor verscheping in gereedheid te brengen.

Witkam: ''Bij Buitenlandse Zaken hebben ze het nog stukgemaakt en met cellotape aan elkaar geplakt, in Londen is de zaak op onze kosten gerepareerd. Later gingen er geruchten dat het in de slaapkamer van mevrouw Soeharto zou liggen, of onder generaals verdeeld zou zijn. Maar in 1991 heb ik met eigen ogen kunnen constateren dat het ligt waar het hoort: in een openbare collectie. Minder goed gaat het met de microfilms van zo'n drieduizend handschriften die ik in de jaren zeventig naar Indonesië heb gestuurd. Laatst hoorde ik dat ze er vreselijk aan toe zijn en in hoog tempo liggen te vergaan.''

Catalogue of Malay and Minangkabau Manuscripts in the Library of Leiden University and Other Collections in the Netherlands. Deel 1: de periode tot 1896. Geïll., 608 blz., ISSN 0169-8672 (Codices Manuscripti), vol. 25. Prijs: ƒ 200,-.