Uit een boek

De houtworm klopte op de binnenkant van de linde.

“Ja?” zei de meikever.

Even was het stil.

“Wat ja?” zei de houtworm toen.

“Ik hoorde u kloppen”, zei de meikever.

“Wie hoorde u kloppen?”

“U”, zei de meikever.

Weer was het stil.

“Doet u wel eens iets aan beleefdheid?” vroeg de houtworm toen.

Zijn stem klonk schamper.

De meikever wist niet wat beleefdheid was en zei: “Ik weet het niet.”

“Ik weet het niet! Ik weet het niet!” riep de houtworm van binnen uit de stam van de linde. “Ik weet niet of ik op mijn hoofd sta! Ik weet niet of ik molm lust! Wel ja!”

De meikever zweeg.

“Waarom zegt u nu niets?” vroeg de houtworm even later. “Of lijdt u soms aan vliegende sprakeloosheid?”

“Nee”, zei de meikever, die meende dat hij nergens aan leed.

“Des te erger”, zei de houtworm. “En ik maar boren.”

Hij dacht over zichzelf na. Hij boorde in hout en dacht al borend altijd over zichzelf na. En altijd was hij ontevreden. Gelukkig maar, dacht hij. Want als ik tevreden was, wat dan? Dan kon ik misschien niemand meer iets kwalijk nemen. Dat leek hem verschrikkelijk. Hij vond iemand iets kwalijk nemen het heerlijkste wat er bestond.

“Ik vind u buitengewoon onbeleefd”, zei hij.

“O”, zei de meikever.

“Wat o?”, riep de houtworm. “Wat is dát voor antwoord?”

“Dat heb ik uit een boek”, zei de meikever.

De houtworm zweeg. Uit een boek? dacht hij. Hij kreeg het warm. Misschien was het dus wel een goed antwoord. Misschien was het zelfs wel het beste antwoord dat er bestond.

“Ik heb niets gevraagd”, zei hij voor alle zekerheid.

“Nee”, zei de meikever.

Bedachtzaam boorde en klopte de houtworm weer door.

De meikever vloog weg.

Na een tijd hield de houtworm even op en vroeg: “Bent u daar nog?”

Er kwam geen antwoord.

Dat is wel de onbeelfdheid ten top, dacht de houtworm. Maar hij zei niets, want misschien had de meikever wel een verklaring voor zijn zwijgen, die hij uit een boek had, en daar kon de houtworm toch nooit tegen op. Laat ik maar in stilte ontevreden zijn, dacht hij. Hij knikte en begon weer te boren.

Bovendien, dacht hij, kan ik altijd mezelf nog van alles kwalijk nemen.