Pronk zweeg over effect Surinamehulp

DEN HAAG, 21 AUG. Het ministerie van Ontwikkelingssamenwerking heeft zes weken geleden in opdracht van toenmalig minister Pronk de publicatie tegengehouden van een overzicht over omvang en besteding van de Nederlandse hulp aan Suriname sinds dat land in 1975 onafhankelijk werd. Tot eind 1996 is er 2,6 miljard van de afgesproken 3,5 miljard gulden uitgegeven.

Volgens een woordvoerder van het ministerie heeft Pronk de publicatie van dat rapport, dat was opgesteld door de Nederlandse ambassade in Paramaribo en waarvan op het departement de eindredactie is gedaan, uitgesteld met een beroep op zijn demissionaire status als minister. Pronk (PvdA), thans minister van VROM, wilde de publicatie liever overlaten aan zijn toen nog onbekende opvolger. Dat werd uiteindelijk partijgenote Herfkens. Maar dat was pas nadat er in de laatste fase van de formatie even sprake van was geweest dat Ontwikkelingssamenwerking zou toevallen aan de VVD, die in haar verkiezingsprogramma voor verlaging van het OS-budget en afschaffing van een aparte minister voor Ontwikkelingssamenwerking pleitte.

Nadat delen van het rapport vanmorgen in De Volkskrant waren uitgelekt, heeft minister Herfkens het vanmiddag voor publicatie vrijgegeven. Het telt bijna honderd pagina's en is feitelijk-beschrijvend. De oorspronkelijke titel, De witkwast en de regenboog, is veranderd in: Nederland en Suriname, Ontwikkelingssamenwerking van 1975 t/m 1996. Aan de tekst is op verzoek van de ambassade in Paramaribo meegewerkt door de Surinaamse Volkskrant-medewerker Iwan Brave.

Het rapport geeft geen conclusies of oordelen aangaande het effect van de hulp voor de vier hoofddoelstellingen ervan: verbetering van 1) de werkgelegenheid, 2) de weerbaarheid van de Surinaamse economie, 3) de levensomstandigheden en 4) de regionale spreiding. Uit het op OS nader geredigeerde manuscript blijkt wèl dat oorspronkelijk aan de maand juni was gedacht voor publicatie. In het voorwoord wordt opgemerkt dat de ontwikkelingshulprelatie van Nederland met Suriname door haar speciale aard gevarieerder is dan die met andere landen en daardoor “niet voor iedereen even inzichtelijk”. Pronk en zijn toenmalige Surinaamse collega, Brunings, hadden daarom december 1996 afgesproken meer te gaan doen aan voorlichting en de Nederlandse ambassade een overzichtspublicatie te laten maken over de bilaterale samenwerkingsactiviteiten, de besteding van het geld en de besluitvorming sinds 1975.