Nieuwe studies naar de prehistorie

Barry Cunliffe (ed.): Prehistoric Europe. An illustrated history. Oxford University Press, 532 blz. ƒ 59,60

Theo Holleman: De Neanderthaler. Een verguisde pionier. Amsterdam University Press, serie 'Weten', 96 blz. ƒ 19,50

Paul Bahn (and Jean Vertut): Journey through the Ice Age. University of California Press (1997), 240 blz. ƒ 96,50

Jean-Marie Chauvet, Eliette Brunel Deschamps en Christian Hillaire: De grot Chauvet. De oudste grotschilderingen ter wereld. Met een nawoord van Jean Clottes. Uit het Frans vertaald door Roos Dijkstra. Jan van Arkel, 120 blz. ƒ 89,90

Wat is belangrijk in de geschiedenis? Het antwoord op die vraag wordt bepaald door de omvang van de tijdschaal. Een beetje historisch besef, en je bent al gauw diep onder de indruk van de Industriële Revolutie, ontketend door de stoommachine van James Watt. Zoveel groei, zoveel sociale veranderingen, zoveel nieuwe wetenschap! Maar, bij nader inzien, wat zijn een paar honderd jaar? Voor wie wat verder terugkijkt, vormt het ontstaan van de landbouw, zo'n 10.000 jaar geleden, het belangrijkste keerpunt in de menselijke geschiedenis, met vaste woonplaatsen en complexe samenlevingen als gevolg. Maar, bij nader inzien, wat zijn die paar duizend jaar? Want die verworvenheden van landbouw en industrie vallen weer in het niet bij de gevolgen van wat wel de 'Creatieve Revolutie' is genoemd, 40.000 jaar geleden.

In die cruciale ijstijdperiode, die duurde tot 10.000 jaar geleden, ontstaat in Europa en elders voor het eerst 'cultuur' in de huidige betekenis van het woord. Deze sprong voorwaarts ging, waarschijnlijk niet toevallig, samen met de verschijning van de Cro Magnon-mens, die anatomisch vrijwel identiek is aan de moderne mens. Voor een ongeoefend oog lijken de stenen werktuigen en wapens (dierenhuidschrapers, messen, speerpunten, priemen, graveerstiften) die deze homo sapiens sapiens achterliet nog even simpel als die uit de voorgaande honderdduizenden jaren. Maar archeologen zien grote verschillen: veel meer variëteit en aandacht voor de vorm. En belangrijker is dat al spoedig iets opduikt wat de huidige mens wèl onmiddellijk herkent als verwant: kunst, bijvoorbeeld een gestileerde paardenfiguur of een mens met leeuwenhoofd, uitgesneden in mammoetivoor. Of de adembenemende tekeningen van neushoorns, leeuwen, paarden en bisons in de Franse Chauvet-grot - zo'n 32.000 jaar oud. En minder spectaculair maar niet minder belangrijk: eindeloos veel kralen gemaakt van roofdiertanden.

Kortom: de moderne mens verschijnt op het toneel, krassend in rotsen en behangen met sieraden. In het prachtig geïllustreerde standaardwerk Journey through the Ice Age (een aangevulde editie van de eerste druk uit 1988) geeft de archeoloog en publicist Paul Bahn een haast uitputtend overzicht van de 'kunstvoorwerpen' uit deze revolutionaire tijd. Afgemeten aan de verrassend grote continuïteit in het type tekeningen in Europese grotten (voornamelijk geometrische tekens en 'losse' dieren zonder achtergrond) tussen 32.000 en 10.000 jaar geleden, is dit zelfs de tot nu toe langstdurende 'moderne' cultuur geweest, waartegen bijvoorbeeld de afgelopen 2.000 jaar christendom als 'marginaal' zouden kunnen worden afgedaan - in pure tijdsduur gemeten tenminste.

Steentijd

De eerste hoofdstukken van het eveneens fraai geïllustreerde Oxford-handboek Prehistoric Europe. An Illustrated History geven een goed beeld van de omwenteling in wat meestal de 'Late Oude Steentijd' wordt genoemd. Niet alleen de gebruiksvoorwerpen veranderden, ook de leefpatronen. Het ijstijdklimaat, waarin zeer koude en wat warmere periodes elkaar afwisselden, verschilde niet zo heel veel van de tijd ervoor, maar het gedrag van de menselijke jagers op de Europese toendra's veranderde wèl. Zij lijken zich bijvoorbeeld veel sterker op één prooidier te concentreren, meestal rendieren of paarden. Ook hun aantal neemt toe, en de samenlevingsgroepen worden groter, tot honderden mensen die optrekken in meerdere, samenwerkende families. Zonder taalbeheersing waren deze gecoördineerde activiteiten niet mogelijk, en sommige archeologen menen dan ook dat pas in deze tijd een volwaardige menselijke taal is ontstaan. Dat zou zelfs de enig mogelijke verklaring zijn voor zoveel veranderingen tegelijk. Bij gebrek aan bewijzen blijft dit echter weinig meer dan een interessante suggestie.

De dramatiek van deze vroegste modern-menselijke geschiedenis wordt des te groter als men zich realiseert dat de homo sapiens sapiens toen nog niet alleen was op de wereld. Want tot circa 30.000 jaar geleden liep óók de homo sapiens neanderthaliensis nog rond, onze zo zwaar beschimpte neef en mogelijke voorouder, de Neanderthaler. In het eerste hoofdstuk van Prehistoric Europe beschrijft Clive Gamble haarfijn hoe het middeleeuwse beeld van de 'wilde man' met een knots in zijn handen en soms zelfs zonder hoofd (het gezicht bevindt zich dan op zijn borst) het populaire beeld heeft bepaald van de 'wilden' en vervolgens ook van de 'oermens'. Tekeningen van oermensen, gemaakt rond het jaar 1900, gaan duidelijk op deze iconografische traditie terug en lijken voor eeuwig ons beeld van de 'holenmensen' te hebben gevormd. En dat terwijl we volgens Gamble 'nog altijd wachten op de eerste vondst van een houten knuppel en een pelsjas uit de oude steentijd'.

Maar niet alleen de Neanderthaler was een prooi van vooroordelen, ook de 'moderne' rotstekeningen in het Spaanse Altamira, die al in 1879 werden ontdekt, werden decennialang voor plompe moderne vervalsingen gehouden. Die kònden eenvoudigweg niet 15.000 jaar oud zijn. De toenmalige archeologen namen niet eens de moeite om met eigen ogen te gaan kijken. Dat was wel arrogant, maar ook niet helemaal onlogisch, zoals Bahn beschrijft. Want nergens in de grot waren de resten van rookwalmen tegen de plafonds gevonden. Wat de archeologen niet wisten, was dat lampjes met dierlijk vet rookloos brandden. Toen die lampjes eenmaal waren ontdekt, was het pleit snel beslecht. De prehistorie zou nooit meer worden wat ze was geweest.

Onder water

Ook nu nog kunnen de geleerden voor grote verrassingen komen te staan, zoals in 1991 met de vondst van de Zuid-Franse Cosquer-grot, die alleen onder water te bereiken is. C14-datering wees uit dat sommige tekeningen 27.000 jaar oud moesten zijn, veel ouder dan voor mogelijk was gehouden. In december 1994 vonden drie bevriende speleologen vervolgens de Chauvet-Grot: 32.000 jaar oud. Hun jongensboekavontuur wordt beschreven in De Grot Chauvet, de Nederlandse vertaling van het al in april 1995 bliksemsnel uitgebrachte schitterende fotoboek over deze ontdekking. Het nawoord van grotkunst-deskundige Jean Clottes zet een en ander in perspectief: 'De ontdekking (van Chauvet) in de Ardèche (...) illustreert de omvang van onze onwetendheid.'

In zijn slothoofdstuk Reading the Messages zet Paul Bahn alle theorieën op een rijtje over de betekenis van de rotstekeningen. Het zou een uiting kunnen zijn van vruchtbaarheids- of jachtmagie, of het gevolg van 'sjamanentrance'. De tekeningen zouden een ingewikkelde symbolische structuur uitbeelden, ze zouden functioneren als informatiedragers, als een soort hulpmiddelen van het geheugen - anything goes, al vinden we nu het één (sjamanentrance en geheugenhulp) waarschijnlijker dan het ander. Maar zoals Bahn in zijn conclusie schrijft, 'er zijn geen regels, wel altijd uitzonderingen'; verklaringen van prehistorische kunst zullen waarschijnlijk altijd meer zeggen over de huidige cultuur dan over de toenmalige.

Nog altijd beschouwt 'ons soort mensen' zich als het enige zelfbewuste wezen op aarde of zelfs in het heelal - ondanks de vele verhalen over intelligentie van dolfijnen en chimpansees en de aanzienlijk dubieuzere UFO-waarnemingen. Maar achteraf gezien had het niet veel gescheeld of 'we' waren met zijn tweeën geweest, want de laatste Neanderthalers leefden nog toen de eerste rotstekeningen in Chauvet al waren gemaakt. Er zijn zelfs stemmen opgegaan dat die tekeningen door Neanderthalers zijn gemaakt, maar dat lijkt erg onwaarschijnlijk. Hoe dan ook, als deze neven waren blijven leven had in ieder geval de arrogantie van ons homo-genre lang zo groot niet kunnen worden.

De levenswijze van de Neanderthaler (ca. 130.000 - 30.000 jaar geleden) is moeilijk te reconstrueren, maar zijn herseninhoud deed in ieder geval niet onder voor die van moderne mensen. Live fast, die young, is de typering door de archeologisch journalist Theo Holleman in zijn levendige en leesbare De Neanderthaler. Een verguisde pionier. 'Rotte kiezen, kaakabcessen en uitgevallen tanden, reumatische aandoeningen breuken in armen en benen en ribbenkast, kapotte handen en voeten, scheuren, barsten en gaten in de schedel en ga zo maar door. Een veertig jaar oud Neanderthaler-skelet is werkelijk een staalkaart van ziekte en ongeluk', schrijft Holleman.

Uit genezing van sommige ernstige botbreuken valt wel af te leiden dat de Neanderthalers voor elkaar zorgden. Er zijn zelfs aanwijzingen voor een geslaagde amputatie van een onderarm. Neanderthaler-kinderen groeiden mogelijk sneller op dan onze moderne kinderen, maar zeker is dat allerminst. En of ze hun doden begroeven is evenmin met zekerheid vast te stellen. Het stevige gedrongen postuur is waarschijnlijk een aanpassing aan de koude omstandigheden van de ijstijden - zuidelijker gevonden Neanderthaler-skeletten zijn lichter dan noordelijke. De langere en slanke homo sapiens sapiens dankt zijn 'gratie' waarschijnlijk ook aan zijn warmere Afrikaanse oorsprong. En het lijkt vrijwel uitgesloten dat de Neanderthaler niet over een taal beschikte. Er is zelfs een fluit van een berenbot gevonden die aan Neanderthalers moet hebben toebehoord, van 45.000 jaar oud. Ook sommige kralen die aan de homo sapiens worden toegedicht zouden van Neanderthalers kunnen zijn geweest.

De kracht van Hollemans boekje (minder dan honderd pagina's) is dat het in kort bestek een verhelderend inzicht biedt in miljoenen jaren menselijke voorgeschiedenis, die culmineerde in de moderne mens én in de Neanderthaler. Holleman bereikt dat inzicht door een goed overzicht van de verschillende, stromingen in het moderne wetenschappelijke onderzoek, die vaak ook weer aparte benamingen voor tijdperken en ondersoorten gebruiken.

Schedels

De belangrijkste strijd die over de Neanderthalerschedels heen wordt gevoerd, is die tussen het 'vervangingsmodel' en het 'multiregionalisme'. De eerste theorie komt erop neer dat er twee grote uitzwermingen van mensachtigen vanuit Afrika over de rest van de wereld zijn geweest: die van homo erectus (met ongeveer de helft van onze herseninhoud) ca. 1 miljoen jaar geleden en die van de homo sapiens ca. 100.000 jaar geleden. Deze laatsten, wier oorsprong ca. 250.000 jaar geleden in Afrika ligt, verdrongen al expanderend de geïsoleerde opvolgers van homo erectus - waaronder de Neanderthaler.

De aanhangers van de 'multiregionale continuïteitstheorie' bestrijden de eerste uitzwerming niet, maar wel de tweede. Zij menen dat de homo sapiens sapiens niet uit Afrika is gekomen, maar juist is ontstaan uit homo erectus-populaties in Azië, Europa en Afrika tezamen, die ook helemaal niet zo geïsoleerd van elkaar leefden. Zij spreken dan ook van de homo sapiens neanderthaliensis, die geen concurrent maar juist een voorouder van de moderne mens wordt. 'Door weinig diplomatiek optreden in beide kampen is dit verschil van mening vervolgens uitgelopen op een ruzie met ordinaire scheldpartijen en verdachtmakingen', aldus Holleman.

Bij de huidige stand van de wetenschap hebben de aanhangers van het vervangingsmodel de overhand. Hun theorie verklaart bijvoorbeeld veel beter waarom primitievere schedels bóven moderne worden gevonden. Niettemin is de strijd nog lang niet gestreden. Als doodklap voor de theorie dat de Neanderthaler een van onze voorouders is, gold bijvoorbeeld een paar jaar geleden het onderzoek aan gefossileerd Neanderthaler-DNA, waaruit te grote verschillen met ons DNA zouden blijken. Holleman wijst er echter op dat de onzekerheden bij dit soort onderzoek veel te groot zijn om harde conclusies te kunnen trekken. Ook de vraag waarom de Neanderthaler is uitgestorven is uiteindelijk nog altijd niet beantwoord. Holleman noemt 'concurrentie' met de moderne mens om voedsel- en hulpbronnen als meest waarschijnlijke oorzaak. Maar welke vorm die concurrentie had is onbekend.

De ondertitel - 'een verguisde pionier' - slaat vooral op de uitsmijter van zijn boek. De overeenstemming tussen de werktuigen van de laatste Neanderthalers en die van de eerste Cro Magnon-mensen wordt meestal gezien als een bewijs dat de Neanderthaler 'wanhopig maar tevergeefs' probeerde mee te doen met de moderne mensen. Maar waarom zou de imitatie niet andersom zijn geweest, in vreedzame samenwerking in plaats van prehistorische genocide? Ook de auteurs van Prehistoric Europe menen dat tussen de twee homo-geslachten 'acculturatie en vreemdzame interactie' plaatsvond.

En hoe gaat het verder? Van de hier besproken boeken reikt alleen Prehistoric Europe tot over de ijstijd. Sterker, dat boek gaat zelfs door tot aan de Franken, die in het perspectief van deze recensie zo ongeveer onze tijdgenoten zijn. Maar zo overzichtelijk als de eerste hoofdstukken zijn, zo onleesbaar is het vervolg. De hoofdstukken over de vroege Europese landbouwers, de Kretenzische beschaving, de hunebedbouwers enzovoorts komen als een lawine van speerpunten en grafheuvels over de lezer heen. Vermoedelijk is die detailzucht te wijten aan dezelfde uitgangspunten die de ijstijdgeschiedenis juist zo leesbaar maakten. Want in het eerste hoofdstuk schrijft Clive Gamble dat moderne prehistorie-onderzoekers niet meer denken in termen als 'technologische vooruitgang' maar meer willen kijken naar de manier waarop de mensen vroeger probeerden te overleven, zonder modernistisch waarde-oordeel. Paul Bahn gaat van hetzelfde principe uit wanneer hij schrijft dat de Ice age people waarschijnlijk best pottenbakken hadden kunnen ontwikkelen, als ze het nodig hadden gehad.

Voor een herwaardering van de periode 40.000 - 10.000 werkt dat principe prima. Maar voor de steeds snellere ontwikkelingen daarna - waarover veel meer bekend is - is een rode draad onontbeerlijk. Nu lopen in een soort 'geschiedenis zonder gebeurtenissen' de tijdschalen voortdurend door elkaar en heeft ook alles invloed op iedereen. Terwijl toch weggestopt tussen zorgzaam weergegeven opbrengsten uit duizenden opgravingen allerlei interessante technologische vernieuwingen worden genoemd, met grote sociale gevolgen, zoals paardrijden (ca. 4000 voor Christus), wijn en het wiel (vierde millennium voor Christus), het zwaard (ca. 1800 voor Christus op de Balkan ontstaan uit de dolk), enzovoorts. Vernietigend voor het verhaal is ook dat over het ontstaan van de landbouw vrijwel niets te vinden is - want Mesopotamië ligt natuurlijk weer net buiten het Europese kader van het boek.

    • Hendrik Spiering