Nieuw woordenboek Latijn; Op zoek naar het Romeinse vraagteken

Harm Pinkster (hoofdredacteur): Woordenboek Latijn/Nederlands. Amsterdam University Press, 1196 blz. ƒ 59,50 (ingenaaid)/ƒ 129,- (geb.)

In de afgelopen eeuw ben ik getuige geweest van het sterven van een taal. Het Latijn. Toen ik vijftig jaar geleden Latijn ging leren, deed ik dat in goed vertrouwen dat ik aan de kennis van die taal net zo veel zou hebben als mijn voorvaderen. Latijn heette toen 'een dode taal'. Dat betekende dat er geen volk meer was te vinden dat die taal als eerste moedertaal sprak. Ik was er niet op voorbereid dat een dode taal ook nog kon sterven.

Latijn leefde toen wel degelijk. Alle beschaafde mensen konden Latijn of deden alsof. Een hardnekkig geloof wilde dat je om een goed jurist of arts of bioloog of anglist te worden, die taal moest kennen. Kranten en gebouwen en schepen en verenigingen droegen Latijnse namen. Elke dag hoorde je wel een Latijnse uitdrukking. En als je die niet hoorde, dan hoorde je een grappig bedoelde potjeslatijnse uitdrukking, zoals Ons kennimus ons.

Toen ik na zes jaar de taal kende, mocht ik gaan studeren. De rector magnificus gaf me een series lectionum. Bij de hospita las ik folia civitatis en op de mensa las ik propria cures. Ik was foetus, candidandus, candidatus, doctorandus en mijn eerste programma voor de eerste Nederlandse computer maakte de genitivus pluralis van de derde declinatie.

Nooit was er een debat (we zullen zo zien wat dat woord betekent) over het nut van het Latijn. Wel kwam er een ordeloos debat over het nut van het gymnasium. Mijn standpunt in dat debat was dat je net zo goed in plaats van Latijn een andere moeilijke taal kon leren. Russisch, stelde ik voor, in mijn vergissing dat Rusland het Andere Machtige Land van de wereld was. Of anders Sanskriet of Chinees. De discussie over het gymnasium werd een politieke discussie over gelijke kansen. Het liberalisme wint en dus bestaat het gymnasium nog. Maar het Latijn is inmiddels in Nederland morsdood. De Haagse Post noemt iedere rijkaard 'een man in bonus'. In Hollands Maandblad stond laatst over een medewerker dat hij een 'emeritis' hoogleraar was.

Met de Romeinse cultuur gaat het ondertussen beter dan ooit. Meer mensen hebben de laatste vijftig jaar op het Forum Romanum gestaan dan in alle andere eeuwen van zijn bestaan bij elkaar. Meer Nederlanders weten alles over Claudius en Nero dan ooit eerder. Ovidius en Vergilius liggen in stapels bij de boekwinkel. Ja, in vertaling, zoals we ook Cervantes en Tolstoj in vertaling lezen. Zelfs de vreselijke schrijvers die mijn twaalfde en dertiende levensjaar vergalden, Caesar en Livius, zijn vertaald en worden gekocht.

Het was mij niet opgevallen dat er geen nieuw Latijn-Nederlands woordenboek was verschenen sinds mijn vader het exemplaar kocht dat ik twintig jaar later van hem kreeg en dat ik veertig jaar later aan mijn kinderen trachtte te slijten - ze prefereerden een aulawoordenboekje, want 'dan heb je niet zoveel keus'.

Speder

Waarom een nieuw woordenboek? Er worden toch geen nieuwe geschriften en woorden meer ontdekt? De leerlingen krijgen toch bij elk tekstje een woordenlijstje met de juiste vertalingen en hoeven niet méér Latijnse woorden te kennen dan een vierjarige Romulus? Maar de Nederlandse taal is inmiddels wél veranderd. Wij moesten nog van onze leraar pilum met 'speder' vertalen en niet met 'speer'. Het is in het Nederlands nooit 'speder' geweest, maar uit het Latijn vertalen was nu eenmaal een plechtige gebeurtenis. De dichteres Ruth Padel klaagde vorige week in Times Literary Supplement dat we Grieks leren met archaische en stijve vertalingen. De Romeinen waren minstens zo liederlijk als wij, maar dat merk je op het gymnasium nauwelijks. Ik was dan ook blij verrast om in het nieuwe woordenboek van Pinkster te lezen: de-battuo: flink stoten, neuken fello: pijpen fututio: het neuken, wip; fututor: neuker; fututrix: die geneukt wordt. (Het vrouwelijk is passief; lakonieker kan de Romeinse seks niet gekarakteriseerd worden) glubo: aftrekken (wat de woordenboekmaker verplicht om bij het werkwoord demo te zetten: 'aftrekken (bij het rekenen)') mentula: lul cunnilingus: beffen

Vijftig jaar geleden had ik niet durven denken dat dit ooit zou gebeuren. Het woord 'beffen' kende ik toen trouwens niet.

Ook buiten de 'vieze' woorden zijn de vertalingen heerlijk fris: een pensum die male factum is, dat wordt: 'een klus die prutswerk werd'. Soms merk je dat het woordenboek is gemaakt door Latinisten. Bij antepilani lezen we: 'de hastati en principes die in de Romeinse slaglinie voor de met een pilum bewapende triarii stonden'. Tot uw dienst, maar dan moet ik toch drie andere woorden gaan opzoeken; pilum is door die 'speder' onvergetelijk. Bij pilus staat: 'manipel van de triarii'. Ik ken het woord manipel (handvol) als 'armband'. Maar je moet dan bij manipulus zoeken om de juiste militaire betekenis te vinden.

Een enkele maal is het Nederlandse woord verouderd omdat de zaak is verouderd, zoals kienspaan en schuitenjager. Een kleine toelichting (zwavelstok? trekschuittrekker?) zou dan niet misstaan. Maar veel vaker is het moderne Nederlandse woord een verrukking om te lezen, zoals bij vendere fumum: 'gebakken lucht verkopen'!

In elke woordenboekrecensie hoort de zin: 'Ik heb niet het hele boek gelezen, alleen de letter D, of steekgeproefd, of gebladerd'. Ik heb wel dit hele woordenboek gelezen. Dus niet alleen de vieze woorden en de legertermen. Het woordenboek, zo kan ik u melden, want zulke gegevens die de makers natuurlijk wel bezitten staan er nooit bij, bevat ruim 28.000 lemma's, waarvan zo'n 4000 eigennamen. Van de 24.000 woorden blijkt minder dan de helft een zelfstandig naamwoord. Meer dan duizend woorden werden uit het Grieks geleend. Daarnaast zijn er spaarzame leningen uit het Arabisch (zucara, suiker), Etrurisch (aesar, god), Germaans (harpa, harp), Hebreeuws (satan, vijand), Keltisch (galba, dikke buik), Perzisch (gaza, schat), Semitisch (git, komijn).

Er wordt 5000 keer naar schrijvers verwezen, zonder dat het om duidelijk te traceren citaten gaat. In een derde van de gevallen is de toneelschrijver Plautus de woordschenker. Een ander derde deel komt uit de werken van het manipel Ovidius, Seneca, de heren Plinius Senior en Junior, en de Afrikaanse Couperus Apuleius.

Raap en biet

Hoe weet je eigenlijk wat een Latijns woord betekent? Er is immers geen Romeinse moeder meer waarvan je dat spelenderwijs leert. Op die vraag bestaan vier antwoorden.

In de eerste plaats weet je de vertaling uit een woordenboek. Deze uitgaaf leunt zwaar op het PONS-woordenboek Latijn-Duits dat in 1986 in Stuttgart verscheen. Ik heb dat er niet bijgenomen. Elk Latijns woordenboek steunt op oudere woordenboeken. Hier was het de kunst om goede Nederlandse vertalingen te vinden.

In de tweede plaats kun je de betekenis van een woord soms raden op grond van Frans, Italiaans en opvallend vaak Engels. Daar kun je je natuurlijk lelijk mee vergissen. Valse vrienden tussen Latijn en Nederlands zijn bijvoorbeeld: mus, passer, homo, mens, die niet 'mus, passer, homo, mens' betekenen, maar: 'muis, mus, mens, geest'. Omnibus en tandem zijn geen vervoermiddelen. Een enkele keer waarschuwt Pinkster expliciet: 'hyacinthus is niet onze hyacint, maar iris of ridderspoor'. Mij ontroert dat na 25 eeuwen groententeelt de woordjes rapum en beta nog gewoon 'raap' en 'biet' zijn, dat de forma van een sardina macer is ('de vorm van een sardientje mager') en dat sta! 'stal' betekent.

Een derde manier om achter de betekenis van een Latijns woord te komen is om die op te maken uit de zinnen waarin het voorkomt. Omgekeerd geeft een goed woordenboek welgekozen voorbeeldzinnetjes om de juiste betekenis/nuance van een woord duidelijk te maken. Met die Latijnse voorbeeldzinnetjes is iets eigenaardigs aan de hand: ze worden vaak niet, of niet geheel, vertaald! Dus als je horrescunt (verstijven) opzoekt kom je het zinnetje segetes horrescunt tegen, met de halve vertaling 'golven' erachter. 'Golven verstijven'? Nee, horrescunt moet 'golven' zijn. Seges - gewas, akker. Dus segetes horrescunt moet betekenen: 'de korenvelden golven'.

Zelfs al wordt de hele voorbeeldzin vertaald, dan gebeurt dat zo vlot dat je nog niet weet wat elk afzonderlijk woord betekent. Zo lezen we bij gallus (haan) dat Seneca het spreekwoord Gallus in suo sterquilino plurimum potest geeft, en dat is: 'iedereen is de baas in zijn eigen huis'. Ja, dat betekent het spreekwoord, maar ik zou toch graag weten wat de zin letterlijk betekent. Ik zoek sterquilinum op en vind dat het 'mesthoop' betekent. Dus: 'De haan is op zijn mesthoop oppermachtig'. Ik vind het gepuzzel leuk, maar ik denk toch dat in de cd-versie van het woordenboek alle voorbeeldzinnen vertaald moeten worden.

Het vierde antwoord is verrassend: we weten de juiste vertaling van een Latijns woord soms niet! Pinkster belooft dat hij in zo'n geval een vraagteken zal zetten en ik geef toe dat juist de jacht op deze vraagtekenwoorden mij 1169 bladzijden liet voortlezen. Wat zou de uitroep gingilipho! betekenen? Wat voor plant was de baccar en wat voor vis de turdus? Bedoelt Petronius met caccitus 'mooie jongen'? Het werk aan het Latijn is nog niet af.

Had ik op school maar zo'n woordenboek gehad! Dan was ik misschien Latijn gaan studeren en was ik nu gefrustreerd door de morsdoodheid van die taal. Ik heb aan het lezen van het lexicon een mooie week gehad. Er wordt je iets duidelijk over de Romeinse geest en mens. Een cultuur van macht, macho, moord en doodslag. Elke persoon die zijn naam vereeuwigde heeft wel een moord gepleegd of werd zelf vermoord, en liefst allebei. Maar dat is misschien gezichtsbedrog, omdat de generaals en politici nu eenmaal veel schreven.

Het lijkt ook alsof de Latijnse taal veel concreter is dan de Nederlandse. Dat moet zeker gezichtsbedrog zijn. De aan het Latijn ontleende Nederlandse woorden zijn bij ons vaak niet concreet meer. Ook dit woordenboek begint zijn opsomming van de betekenissen van een woord (van het werkwoord do zijn er 32 betekenissen!) met de letterlijke, concrete betekenis en komt daarna met de abstracte, figuurlijke. Maar dat proces is bij Romeinen en Nederlanders vaak hetzelfde, en dan is het onnodig dat het woordenboek het zegt. Eén enkel voorbeeld: bellatorius betekent 'strijdlustig, strijdbaar'. En dan staat daarachter 'metaforisch: polemisch'. Moeten we strijdbaar dus alleen letterlijk opvatten?

Ik heb veel geleerd. Dat prosa en possibilis ('proza' en 'mogelijk') geen klassiek Latijn zijn, maar tot de 4000 postklassieke Latijnse woorden uit het lexicon behoren. Dat heroine vier lange klinkers heeft. Dat argentumexterebronides nog langer is dan het bekende honorificentissimus, dat Dididi testes Aeaeae betekent: 'Ik verspreidde de... eh... getuigen van Circe'.

Vijftig jaar geleden was de situatie van het Latijn in Nederland als die van het Nederlands in Nederlands-Indië. Lang niet elke inwoner van Indonesië sprak Nederlands, maar elke Indonesiër kende wel een paar woorden, zoals 'Pas op!' en 'Nee!'. Wie vooruit wilde moest Nederlands leren. Op de gebouwen, borden, formulieren en verpakkingen stonden Nederlandse woorden. De Nederlandse taal is daar nu gestorven. Alleen oeroude Indonesiërs spreken soms vooroorlogs Hollands. Wie daar in archieven of wetten of breipatronen geïnteresseerd is, heeft een Nederlands woordenboek nodig. Wie in de Europese cultuur geïnteresseerd is, heeft een Latijns woordenboek nodig. Neem dan dat van Pinkster.