Mopperend op de snelweg

Milo Anstadt: De wankele rechtsgang van Albert Kranenburg. Contact, 317 blz. ƒ 34,90

In 1996 verscheen van Milo Anstadt (1921, Polen) de 'autobiografische roman' De verdachte oorboog. Hierin schreef hij in de derde persoon over zijn oorlogservaringen, een poging om afstand te scheppen tot het autobiografisch materiaal. Critici merkten op dat deze kunstgreep niet voldoende was om zijn memoires in een roman te veranderen. In De wankele rechtsgang van Albert Kranenburg, op het omslag gekwalificeerd als een 'roman', gaat Anstadt een stap verder door als hoofdpersoon een niet-joodse man, geboren in 1950, op te voeren.

Maar ook deze keer schemert de schrijver op iedere pagina door een dunne laag fictie heen. We horen geen personages; de schrijver spreekt via zijn personages tot ons. Hij geeft zijn visie op de toestand van de naoorlogse wereld. En die is niet best.

Albert Kranenburg, zoon van welgestelde ouders, leert tijdens zijn studie rechten de joodse David Ascher kennen, zoon van orthodoxe en door kampervaringen getraumatiseerde ouders. Deze David, die op Ischa Meijer gebaseerd lijkt, wordt later columnist en liedjesschrijver, en keert zich heftig af van het jodendom. De beschrijving van de vriendschap tussen Albert en David, die eindigt met de zelfmoord van de laatste, vormt de opmaat tot de roman.

De aartspessimist David is een van de eersten uit de kring van Albert die 'uittreden', de strijd tegen de corruptie opgeven. Ook Albert neigt in de loop der jaren steeds meer naar defaitisme, doordat hij ervaart hoe theorie en praktijk van het recht voortdurend botsen. De 'rechtsgang' uit de titel verwijst niet alleen naar de misdaadprocessen waarin Albert optreedt als officier van justitie, maar ook naar zijn gang door het Nederlandse rechtsbestel en zijn groeiende teleurstelling in het functioneren ervan.

Deze ontwikkeling wordt vooral geschetst aan de hand van ellenlange uiteenzettingen (bladzijden lang gaat het bijvoorbeeld over de inhoud van Alberts proefschrift), en discussies tussen Albert en zijn leermeester Giso. Meer aanschouwelijke passages, zoals over Alberts jacht op een Nederlandse SS-er of zijn verblijf in Moskou, zijn zeldzaam. Het is niet makkelijk om een lijn in het verhaal te vinden, want de schrijver (verscholen achter 'kritisch moralist' Albert Kranenburg) grijpt echt elke gelegenheid aan om een mening of een filosofie weg te geven: over de internationale strafrechtspleging, criminaliteit in de VS en de problemen van de multi-culturele samenleving.

Als Albert op de snelweg gesneden wordt door een Duitser, denkt hij: 'Automobilisten onthulden de menselijke misdadigheid. Op de weg liet de meerderheid haar machtsdrift, egoïsme, brutaliteit, gewelddadigheid onbeteugeld gelden.' Een tirade tegen geldzuchtige advocaten eindigt met: 'Twee van hen, vader en zoon Krakauer, wekten een ongewoon hevige afkeer bij hem.' Belangwekkender stellingen worden vaak weer verknoeid door het stijve en omslachtige taalgebruik: 'De vaak hybridische criminaliteit, die zich binnen het clair-obscur van het moderne economische bestel aftekende, was moeilijk te typeren en te traceren en was soms al stevig verankerd voordat men er oog op kreeg.' De uitsmijter van het boek is een angstwekkend toekomstscenario, waarin criminele ondernemers ('moderne roofridders') de liberale democratie afbreken en door middel van 'zuiveringen' werken aan een autoritaire standenmaatschappij, een 'duizendjarig rijk'.

De kunst van het mopperen is hoe je moppert, en niet waarover; een boek lang mopperen zonder een moment van zelfspot is onverdraaglijk. Als de boodschap van Anstadt werkelijk urgent is, dan had die een betere uitweg gevonden in een pamflet of een serie radiopraatjes. Met enige goede wil zou je het boek nog een ideeënroman kunnen noemen, en wel een die aan het bekende gebrek lijdt dat de personages niet 'leven' maar slechts als spreekbuis dienen voor de ideeënwoede van de schrijver.