Mijn fiets terug!

Tegenover Polman's Huis remde ik en zette mijn fiets op slot. En tegelijkertijd zag ik hem: mijn gestolen fiets! Recht tegenover mij, wreed en eenzaam met vreemde hangsloten aan een steiger vastgeklonken.

Kermend geschonden, het robuuste frame geroest en geknikt, maar onherroepelijk de mijne. Kilometers hadden we samen afgelegd door sneeuw, storm en verzengende hitte. De verlengbare bagagedrager, waarop ik mijn eerste faxapparaat naar huis had gesleept, was nog intact. De overblijfselen van mijn laatste snelbinders, daags voor de ontvreemding geknapt, wapperden in de wind.

Hierover bestond geen twijfel: mijn fiets ging mee naar huis! Ik trok de ventieldopjes uit de banden en liet ze leeglopen. Nu kon de huidige berijder niet weg. In het studentenhuis aan de overkant schrok een glurende studente zich het leplazerus. “Jouw fiets?” riep ik. Paniekerig verdween ze, maar kwam niet naar buiten.

Resoluut beende ik het Polman's Huis binnen en meldde de politie telefonisch dat mijn fiets terecht was. “Daarvoor komen wij niet”, antwoordde die en hing op.

Terug naar buiten. Gelukkig, een motoragent! Ik wenkte. Hij zag mij, reed door, bedacht zich en kwam terug. “Hoe weet u dat dit uw fiets is”, vroeg hij wantrouwig nadat ik mijn verhaal had gedaan.

“Ik heb er acht jaar op gereden”, riep ik verontwaardigd.

“Bewijs dat maar.”

“Ik heb de aankoopbon. Ik heb ook aangifte gedaan toen hij gestolen was.”

Dat hielp. Hij belde het bureau en liet in de computer de plaats en datum van ontvreemding, en de opgegeven kenmerken van de fiets natrekken. “Hij lijkt inderdaad van u te zijn gestolen”, concludeerde hij. Ik zuchtte opgelucht. “Maar het opgegeven framenummer klopt niet”, vervolgde hij. “Daarom doe ik niets voor u.”

“Wat”, hapte ik naar adem.

“Sorry”, zei hij gewichtig. Dat alle verdere gegevens klopten, was onbelangrijk. Dat de politie destijds waarschijnlijk een foutje had gemaakt, bleek onvoorstelbaar. “Maar u kunt de sloten doorzagen en hem terugstelen”, opperde hij.

Een uitstekend idee. “Helpt u mij”, vroeg ik, “ik heb die hydraulische knipschaar niet waarmee jullie fietssloten doorknippen.”

“Nee, en als ik zie dat u het doet, moet u mee naar het bureau. Want dan steelt u een fiets.”

“Dit is mijn eigen fiets!”

“Dat zegt u. Het framenummer klopt niet. U moet er maar een goed slot omheen doen. Van uzelf. Dan kan de huidige eigenaar niet meer weg. Misschien meldt hij zich daarna bij ons.”

“Krijg ik dan mijn fiets terug?”

“Nee. Misschien heeft hij hem namelijk gekocht.”

“Van een heler. Kijk maar: op mijn fiets zit een nieuwe sticker, van een handelaar in tweedehands fietsen. Moet u dit niet uitzoeken?”

“Nee”, zei de motoragent.

“Dus u doet niets, en als u ziet dat ik zelf actie onderneem, arresteert u mij?” “Misschien”, antwoordde hij geheimzinnig.

“Gaat u dan maar weg, u heeft het vast vreselijk druk”, stelde ik.

“Inderdaad”, zei de agent, en verdween. Net als de studenten die alles vanachter de ramen hadden gevolgd.

Intussen stond bijna al het personeel van het Polman's Huis buiten. Ze verkeerden in een soort overwinningsroes; van iedereen waren vele fietsen ontvreemd, maar niemand had ze ooit teruggevonden. Ik sloot mijn superslot om mijn gestolen fiets en ging op zoek naar een ijzerzaag. Vijf winkels en een uur later had ik er een, die helaas de sloten niet doorkreeg. Ook de fietsenhandelaar die mijn fiets na ontvreemding wellicht had ingekocht 'beschikte niet over de benodigde apparatuur'.

“Wij kunnen evenmin helpen”, zei de receptioniste op het hoofdbureau van politie. Ze zat zich met vier collega's zichtbaar te vervelen. “Niet wijzelf, maar een bedrijfje opent altijd fietsen voor ons. Wij zijn veel te druk. Wij adviseren iedereen het zelf te doen.”

“Arresteert u mij dan”, informeerde ik. “U moet wel hier komen als de huidige eigenaar aangifte doet”, onderstreepte ze. Waarna ze voorstelde een haakse slijper te lenen bij de fietsenmaker.

De fietsenmaker raakte helemaal opgewonden van het verhaal. Een week eerder waren twee dieven op zijn scooters de winkel uitgereden, waarna de politie actie weigerde. “Dat heeft mij duizenden gekost”, klaagde hij. De benodigde haakse slijper had hij niet.

Uiteindelijk zaagde een kennis, zes uur nadat ik mijn fiets terugvond, de sloten door met een gehuurde haakse slijper. Een spectaculaire vuurzee spatte op de keien. Het personeel van het Polman's Huis klapte bewonderend. De studenten aan de overkant joelden: “Fietsendieven!”

    • Rachel Levy