Liefde en dood, leven en literatuur; André Baillon (1875 - 1932)

Frans Denissen: De gigolo van Irma Ideaal. André Baillon, of een geschreven leven. Prometheus, 320 blz. ƒ 39,90

André Baillon moet een onmogelijk mens geweest zijn. Dat is nog de vriendelijkste conclusie die je kunt trekken na het lezen van De gigolo van Irma Ideaal. Rusteloos, charismatisch, rokkenjagend, idealistisch, mateloos, suïcidaal, romantisch, mystiek-religieus, gespleten, gekweld, leugenachtig. Het zijn allemaal toepasselijke bijvoeglijke naamwoorden die ertoe hebben bijgedragen dat deze franstalige, in Antwerpen geboren auteur (1875-1932) door sommigen als het prototype van een mythisch schrijver wordt gezien.

'Un homme de lettres pur et simple', schreef Baillons vriend Gaston-Denys Périer na zijn dood. 'Hij speelde zelfmoord zoals anderen piano spelen', was het commentaar van een andere tijdgenoot. 'Een seksmaniak', concludeerde het In memoriam gewijd aan Baillon in Le Thyrse, het literaire tijdschrift waaraan hij jarenlang was verbonden. 'De grootste schrijver die franstalig België in de eerste helft van deze eeuw heeft gekend', schreven enkele critici die in de jaren zeventig zijn werk herondekten.

In zijn enthousiaste biografie geeft Frans Denissen ondubbelzinnig aan dat hij zich aan de kant van die laatsten schaart. Eerder vertaalde hij - in samenwerking met anderen - zeven van Baillons romans (zestien in totaal), waaronder Het boek van Marie, Op klompen en Een doodeenvoudig man.

Wie nog niet eerder iets van Baillon heeft gelezen, krijgt in het boek een aardig idee van zijn afstandelijk ironische stijl en van de uit zijn eigen leven gegrepen onderwerpen. De gigolo van Irma Ideaal bevat veel citaten. De vele direct aansprekende dialogen zouden letterlijk zo uitgesproken kunnen zijn. Maar wanneer het absurde te nadrukkelijk of onverwacht in het leven opduikt, wordt Baillons verhalende toon pathetisch, zeker als het om liefdesperikelen gaat. Alvorens aan de echte levensbeschrijving te beginnen, besluit de biograaf gezien het autobiografische karakter van Baillons werk en de 'warwinkel van teksten, namen en levens', in de citaten de namen van de personages te vervangen door die van de corresponderende, werkelijke personen. Een gedurfd en zeer aanvechtbaar besluit, waarmee hij literaire fictie zonder voorbehoud als werkelijkheid interpreteert. Iets wat in 'Baillonië' misschien door de vingers gezien wordt, maar in biografenland als heiligschennis geldt. 'Ik besef dat ik met dit procédé de filologen de gordijnen in zal jagen. Daar moeten ze dan maar even blijven', luidt Denissens lakonieke verweer. Om vervolgens te concluderen: 'Zo, dan kan ik eindelijk aan mijn “roman” beginnen.'

Twijfels

Van meet af aan maakt de biograaf de lezer duidelijk dat hij geen klassieke biografie moet verwachten. Hij wil vooral onderzoeken waarom hij persoonlijk, al dertien jaar lang, zo door Baillon wordt gefascineerd. In de eerste 'dialogue intérieur', een soort dagboekaantekeningen waarin de auteur ons steeds deelgenoot maakt van zijn twijfels en overpeinzingen ten aanzien van zijn biografie, schrijft hij: 'Wat héb jij toch met die Baillon? - Misschien moet ik een boek schrijven om erachter te komen.'

Denissen houdt er dan ook een uitgesproken autobiografische manier van biograferen op na. Zo schroomt hij bijvoorbeeld niet zijn eigen onvervulde schrijversdroom ter sprake te brengen of verbouwingsperikelen van zijn huis in de periode dat hij zijn biografie schreef. Ook Baillon kwam immers niet aan schrijven toe toen hij bezig was met de opknapbeurt van zijn pas aangeschafte boerderijtje in Westmalle, waar hij kippen wilde gaan fokken. In het derde 'Interludium' over De twijfels van de vertaler, - Interludium is de term die de auteur aanwendt voor zaken die zijdelings voor zijn werk relevant zijn -, vermeldt Denissen de verklaring voor de 'klik' tussen hem en het werk van Baillon: 'het is voor mij met teksten zoals met vrouwen: hoe terughoudender, ja zelfs hoe stugger ze zich opstellen, hoe meer ze het liefdesvuur in me aanwakkeren.'

Je kunt je afvragen in hoeverre de lezer die een boek over de schrijver André Baillon ter hand neemt, eigenlijk geïnteresseerd is in dit soort persoonlijke ontboezemingen van de biograaf. 'De biograaf is zelden een interessante persoon', zei de Groningse hoogleraar Klaas van Berkel onlangs nog in een interview met het Biografie Bulletin. Het mag dan boeiend zijn om te zien hoe iemands passie voor een kunstenaar ontstaat en zich ontwikkelt, het narcisme van de biograaf ontneemt de lezer wel degelijk het zicht op de gebiografeerde. Hij staat zijn eigen onderwerp in de weg.

Getourmenteerd

Want wie was die schrijver André Baillon nu eigenlijk, die getourmenteerde auteur van In de piepzak, Waanzinnen en Doodzonde, van wie de biograaf zich afvraagt of hij 'beschrijft wat hij heeft beleefd of zijn leven leeft om het te kunnen neerschrijven?'

André Baillon werd in 1875 in Antwerpen geboren. Eén maand na zijn geboorte stierf zijn vader Joseph, een aannemer afkomstig uit een familie van tot industrieëlen opgeklommen handwerkslieden in Dendermonde, die het opgebouwde familiekapitaal even snel verkwistten als zij het hadden vergaard. In 1880 stierf Andrés broertje Antoine en in 1881 zijn moeder, Julia van Bellingen, afkomstig uit een gegoede Antwerpse handelsfamilie. De dood van zijn moeder zou Baillon nooit te boven komen. 'Al zijn minnaressen zullen ook moedertjes moeten zijn', schrijft Denissen. Om het familiekapitaal veilig te stellen werd de zesjarige André door een tante uit het huis van zijn stiefvader in Antwerpen ontvoerd - zijn moeder was inmiddels hertrouwd -, verbleef hij een paar maanden bij zijn tante Louise Prudence in Dendermonde en ging vervolgens naar een franstalig weeshuis. In enkele maanden raakte hij zijn ouderlijk huis, zijn stad en zijn taal kwijt.

Ook het liberale katholicisme van moeders kant werd verruild voor het strenge, bekrompen papendom van 'Mademoiselle Autorité', zoals Baillon zijn tante later in zijn werk zou betitelen. In de jezuïtencolleges en bij de paters jozefieten werd Baillon - een veelgepeste 'rossekop' en een briljante leerling - voorgoed doordrongen van de vreze Gods, van de plicht tot gewetensonderzoek, biecht, berouw en boete en niet te vergeten van het feit dat iedere vrouw het werktuig is van de duivel. 'Dit geeft, bij de tot piekeren geneigde knaap die Baillon is, obsessie, dwangmatig handelen, neurose', aldus de biograaf.

Als negentienjarige, 'bleue' student mijnbouwkunde viel de wereldvreemde Baillon prompt voor de charmes van de prostituée Rosine Chéret. Samen joegen zij in minder dan twee jaar Baillons erfdeel erdoorheen, een fortuin waarvan hij de rest van zijn leven probleemloos had kunnen rentenieren. Nog voordat hij een letter had gepubliceerd, was Baillon een legende geworden. Vanaf 1899 publiceerde hij regelmatig in het literaire tijdschrift Le Thyrse: 'lyrisch proza met een morbide inslag' en 'naturalistische verhalen à la Maupassant'. Later zou hij in zijn onvoltooide, autobiografische roman La dupe, die pas in 1944 werd gepubliceerd, verslag doen van deze roerige jaren uit zijn leven.

Rosine Chéret was de eerste van de vijf vrouwen met wie hij zijn leven deelde. Waarschijnlijk was zij ook de enige wier geestelijke gezondheid niet definitief door hem werd aangetast. Gewoonlijk aanbad hij de vrouwen op wie hij verliefd werd als 'madonna's, moeder en maagd, muze en hoer', maar uiteindelijk waren zij het die de kost verdienden - bij financiële krapte zelfs in de prostitutie. De Grote Schrijver moest immers in staat gesteld worden zijn writer's block te cultiveren, daarbij voortdurend balancerend tussen zenuwinzinking en zelfmoordpoging. 'Alles opofferen voor de kunst!'

Kippenfokkerij

In 1902 trouwde Baillon met Marie Vandenberghe, een Vlaamse ex-prostituée, met wie hij tweemaal - tegen haar zin - Brussel ontvluchtte om op het platteland een kippenfokkerij op te zetten. In 1912 zwichtte de pianiste Germaine Lievens voor zijn maandenlange amoureuze smeekbeden en kort daarop trok hij bij haar in. Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog profiteerde Baillon, als redacteur van het dagblad La dernière heure, van de schadeloosstelling die de Belgische regering in ballingschap uitkeerde aan journalisten die weigerden voor de bezetter te schrijven. In de vier oorlogsjaren schreef hij in één adem zijn eerste vijf romans. Door zijn intense identificatie met zijn criminele hoofdpersoon Jojo Pingping, bezorgde hij Germaine een 'knoert van een depressie', aldus de biograaf. Zij zette hem de deur uit en hij keerde terug naar zijn vrouw.

In 1920 verscheen in Brussel zijn eerste roman, Moi quelque part, in een oplage van 535 exemplaren. Kort daarop vertrok Baillon met vrouw en een minnares naar Parijs, waar een ménage à trois uitliep op een fiasco. Zijn manuscripten vonden er echter een uitgever en zijn roman Het boek van Marie werd lovend ontvangen. Toch zou hij altijd de indruk hebben door de Fransen argwanend als 'un petit belge' bekeken te worden, en door de Belgen als 'deserteur'. 'Tussen twee talen, tussen twee nationaliteiten, tussen twee adressen, tussen twee vrouwen: schrijven in een niemandsland', merkt de biograaf op.

In 1923 verloor Baillon zijn hart aan de zestienjarige dochter van Germaine, waarna hij geestelijk instortte en in een psychiatrisch ziekenhuis werd opgenomen. Daar kwam de beroemde schrijfster Colette hem hoogstpersoonlijk zijn eerste literaire prijs overhandigen: een aanmoedigingspremie 'om hem in staat te stellen zijn werk voort te zetten'.

Weer zeven jaar later had hij een 'verschroeiende relatie' met de vierentwintig jaar jongere Brusselse schrijfster Marie de Vivier. Samen maakten ze plannen voor een gemeenschappelijke zelfmoord. 'Liefde en dood, leven en literatuur: ze raken in hun delirante brievenreeks steeds meer in elkaar verstrikt.' Marie de Vivier belandde erdoor in een psychiatrische kliniek. Dat Baillon, 'bezig zichzelf te vernietigen, een door bewondering verblinde jonge vrouw in die vernietiging wil meeslepen' komt hem zelfs op kritiek te staan van de hem zo toegedane biograaf: Baillon is 'levensmoe maar heeft niet de moed om alleen te sterven', constateert Denissen teleurgesteld.

Toch strooit Baillon op 7 april 1932 in zijn huis in Marly-le-Roi overal bloemen, van de tuin naar de slaapkamer. Hij geeft zijn poezen te eten en slikt een overdosis van een slaapmiddel. Op het papier dat hij achterlaat schrijft hij in grote letters: 'Absolve', als smeekte hij vanaf zijn doodsbed om vergiffenis.

    • Margot Dijkgraaf