Libeskind bouwde in Osnabrück een nieuw huis voor nazi-slachtoffer Felix Nussbaum; Museum verbeeldt tragisch schildersleven

In Osnabrück is vorige maand het Felix Nussbaum-Haus van architect Daniel Libeskind geopend. De schilder Felix Nussbaum werd in 1904 in Osnabrück geboren en in 1944 in Auschwitz vermoord. Het gebouw is niet alleen bedoeld als huis voor zijn werk, maar ook als een een monument ter nagedachtenis van de slachtoffers van de Holocaust.

'Museum ohne Ausgang - Architektur und Malerei, Daniel Libeskind und Felix Nussbaum' duurt tot 6/9. Van 24/10 tot 17/1/99 is er een tentoonstelling over oorlog en vrede in Europa (1648-1998). Vanaf februari 1999 zullen alle werken van Nussbaum in het museum te zien zijn. Felix Nussbaum-Haus, hoek Heger-Tor-Wall/Lotter Strasse (inl. 0049-541.3232207) Di-vr 9-17u, za/zo 10-17u.

OSNABRÜCK, 21 AUG. Vanaf volgend jaar februari moet de uitbreiding van het Kulturgeschichtliches Museum de collectie van honderdzestig schilderijen van Nussbaum herbergen, grotendeels eigendom van de Niedersächsische Sparkassenstiftung. De tentoonstellingsruimte beslaat 890 vierkante meter, het gebouw kostte 14,4 miljoen mark. Het Nussbaum-Haus is het eerste voltooide museum van de Amerikaan Daniel Libeskind (Polen, 1946). Libeskind, sinds 1989 gevestigd in Berlijn, heeft vooral bekendheid verworven met zijn controversiële ontwerpen voor het Victoria and Albert Museum in Londen, het Joods Museum in Berlijn, dat in oktober zal openen voor publiek, en het Joods Museum in San Francisco.

'Museum ohne Ausgang', de openingstentoonstelling waarin 45 werken van Nussbaum te zien zijn, werd eveneens bedacht door Libeskind. Het museum heeft inderdaad geen echte uitgang, zoals het leven van Nussbaum, die na '33 steeds meer in het nauw gedreven werd en uiteindelijk geen schijn van kans meer had om weg te komen. De ingang van het museum, een dikke metalen deur, als van een kluis of een bunker, is te bereiken via een metalen loopbrug. Deze brug, even breed als spoorrails, voert langs bedden van zonnebloemen, verwijzend naar het grote voorbeeld van Nussbaums vroege schilderjaren.

Het museum bestaat uit drie gebouwen van elk twee verdiepingen, die in de vorm van een driehoek in elkaar zijn gehaakt. De verschillende materialen die gebruikt zijn staan met hun toenemende koude voor Nussbaums levensweg. Het grootst is het eigenlijke Nussbaum-Haus, een rechthoekig met hout bekleed gebouw. De lange en smalle Nussbaum-Gang is van beton. De Nussbaum-Brücke, bekleed met zink, verbindt de nieuwbouw met het oude neoclassicistische gebouw van het Kulturgeschichtliches Museum (waar nu onder andere een tentoonstelling te zien is over Art Spiegelmans Maus, een strip over de holocaust).

Om in de verschillende ruimtes te komen waar Nussbaums werken uit een bepaalde periode bij elkaar hangen, moeten de bezoekers steeds deuren openen, die met een klap weer dichtvallen. De roosters tussen de verdiepingen laten licht en geluiden door. In het trappenhuis kun je overvallen worden door geluiden van in de verte ontploffende bommen, onderdeel van de klankinstallatie van Hans-Peter Kuhn.

De bezoeker die gewend is aan musea waarin de juiste weg duidelijk staat aangegeven, zal enige tijd verloren ronddwalen. En dat is juist de bedoeling, want Libeskind heeft een onherbergzaam museum willen maken, een museum dat, zo verklaart hij, 'de betekenis van de onvoorstelbare afgrond van de holocaust zichtbaar maakt.' Nussbaums schilderijen hangen steeds vlak bij elkaar, alsof ze beschutting zoeken. Het grootste deel van de muren is leeg, symbolisch voor Nussbaums onvoltooide oeuvre. Die leegte zal er alleen heersen gedurende de openingstentoonstelling: het stadsbestuur heeft bedongen dat de muren uiteindelijk toch volledig zullen worden benut.

De ruimtes hebben scherpe hoeken, de vloeren zijn ongelijk, de ramen zijn scheef. In de schemerige Nussbaum-Gang, waar enkele laatste werken van voor zijn deportatie hangen, is de vloer werkelijk schuin. Aan het plafond vormen balken zigzaglijnen, het doet denken aan de 'uitgeklapte davidsster', hetmotief dat ook aanwezig is in het Berlijnse museum. Luidsprekertjes van de klankinstallatie zorgen voor het geluid van treinwielen op rails.

Aan de muur van de gang kunnen met enige moeite de schilderijen onderscheiden worden, zoals Die Verdammten (1944), Orgelmann (1942) en Triumph des Todes (1944). Dit laatste schilderij, dat dateert van twee maanden voordat Nussbaum en zijn vrouw Felka Platek in Brussel werden gearresteerd, toont het apocalyptische beeld van skeletten die muziek maken en dansen op de ruïne van de westerse beschaving. Het menselijkst is de figuur van de orgelman, met de trekken van Nussbaum, die niet meedeelt in de triomf. De orgelman, symbool van de eenzame, melancholieke kunstenaar, is vanaf 1931 een terugkerende figuur op de schilderijen. Op Orgelmann is hij opgehouden met spelen: in een straat waar zwarte pestvlaggen uit de ramen hangen leunt hij peinzend op zijn instrument, waarvan de pijpen uit botten bestaan.

Libeskinds museum is eigenlijk om die laatste werken van Nussbaum heen gebouwd. Deze werken, die zo sterk het bewustzijn van de naderende ondergang tonen, zijn bij uitstek geschikt om de verschrikkingen van het verleden in de herinnering te roepen. In een toelichting noemt Libeskind het lot van Nussbaum 'paradigmatisch', het staat voor het lot van alle joden die het slachtoffer werden van de nazi-terreur. Het museum verwijst dus niet alleen naar de geschiedenis van een individu, het verwijst ook naar de collectieve geschiedenis.

Volgens Libeskind is zijn museum zelfs een 'verbinding met de verloren geschiedenis'. Daarom wijst de Nussbaum-Brücke in de richting van de afgebrande synagoge - het interieur is bewaard gebleven op Nussbaums Die beiden Juden uit 1926. En de Nussbaum-Gang wijst naar de nabijgelegen Schlikker-villa, waar het hoofdkwartier van de NSDAP in Osnabrück was.

Na een aantal jaren studie in Berlijn ging Nussbaum in 1932 naar Villa Massimo, de Duitse academie in Rome. Toen de nazi's in 1933 aan de macht kwamen moest hij de academie verlaten. Het was het begin van zijn ballingschap, maar dat is nog niet meteen zichtbaar op zijn doeken. Hij gaat naar de Riviera, waar hij zich bekwaamt in het schilderen van havens en bootjes, zoals te zien op Fischerhaus (1933). In 1935 gaat hij naar Oostende. De zelfportretten uit die tijd hebben een melancholieke sfeer, maar zelfs in 1938 houdt hij zich nog bezig met puur schilderkunstige onderwerpen, zoals de wirwar van masten op Mastenwald.

Nussbaums oeuvre staat in Libeskinds museum geheel in het teken van zijn levenseinde, waardoor de schilderijen uit de wat lichtere periode in Berlijn en Italië een wel erg zware last te dragen krijgen. Het is moeilijk om in de schilderijen (zoals Tanz an der Mauer (1930) met daarop doodgravers, skeletten en galgen) die deels in een kunsthistorische traditie horen, en deels Nussbaums angsten en depressieve aard weerspiegelen, niet óók een aankondiging van de vernietigingskampen te zien. Hier wringt de combinatie van museum en herdenkingsmonument: Nussbaum als slachtoffer van de jodenvervolging overvleugelt Nussbaum de schilder.

Het eigenaardige is dat Nussbaum zich in het begin van zijn carrière juist los wilde maken van zijn joodse achtergrond, zoals blijkt uit Maler im Atelier (1931), waarop de schilder die aan het werk is weigert om mee te gaan naar de sabbat. De politieke omstandigheden, de groeiende onzekerheid van zijn bestaan als balling in Oostende en Brussel, dwongen hem uiteindelijk zich rekenschap te geven van zijn joodse achtergrond. De somberheid en angst die zijn werken al hadden, krijgen dan een dringender gestalte; het esthetische en autobiografische wordt minder belangrijk op zijn schilderijen, die nu dienen als direkte weerslag, als getuigenis van het lot van de joden.

De angst en het vermoeden van de komende vernietiging drongen pas echt door tot zijn werk na zijn verblijf in het Zuid-Franse interneringskamp St. Cyprien, in mei 1940. Hij wist te ontsnappen en keerde terug naar Brussel, waar zijn vrouw was ondergedoken. Zijn kampervaringen schilderde hij op het onvoltooide St. Cyprien (1942), te zien in de Nussbaum-Gang. Schilderijen als Angst (1941), Der Sturm (Die Vertriebenen) (1941) en Selbstbildnis mit Judenpass (1943) verwijzen ondubbelzinnig naar het lot van de ondergedoken en opgejaagde joden. Het kleurgebruik is sober, grijze en beige tinten overheersen. De stille figuren staren met grote ogen in de verte. Op het zelfportret met jodenpas laat Nussbaum, die voor een hoge muur staat, zijn identiteitskaart, met daarop 'JUIF-JOOD' gestempeld, en de davidsster op zijn jas zien. Het is echter geen portret van een slachtoffer. Nussbaum kijkt ons direkt en min of meer beschuldigend aan, alsof wij hem staande hebben gehouden en om zijn papieren hebben gevraagd.