Hoogvliegers zonder vrees

Morgen staan Laurens Looije en Christian Tamminga in Boedapest in de EK-finale polsstokhoogspringen. Twee atleten over een sport voor mannen met lef.

BOEDAPEST, 21 AUG. Een kogel of discus neem je zo in een tas mee. Maar wat bezielt een atleet om met lange, onhandige stokken te gaan slepen? “Dat gesjouw met die stokken is vreselijk, maar de kick van het springen maakt alles goed”, zegt Chris Tamminga. “Aan de andere kant val je met die stokken op het dak van je auto wel goed op”, zegt Laurens Looije.

“Nee, polsstokhoogspringers zijn niet gek”, zegt de Rus Maksim Tarasov, de olympisch kampioen van '92 en favoriet voor de Europese titel. “Het is juist belangrijk dat je intelligent bent. Je moet aan alles denken. Polsstokhoogspringen is veel meer dan alleen maar hard rennen. Als je gek bent, wordt het pas echt gevaarlijk.”

Ook al katapulteren zij zich de lucht in, grote waaghalzen willen Looije en Tamminga zich niet noemen. Een gezonde dosis lef is wel nodig. Want wie een keer verkeerd neerkomt, heeft even nodig om weer alles te durven. Er zijn voorbeelden van topspringers die na een onprettige ervaring nooit meer terugkwamen op hun oude niveau. Tamminga: “Je moet na zo'n incident weer helemaal opnieuw beginnen. Kortere aanlopen nemen, met lichtere stokken springen.” Looije: “Je bent natuurlijk niet echt bang. Anders doe je dit niet. Het is eerder twijfel.”

De mentale kant van het polsstokhoogspringen is van doorslaggevende betekenis. “Fysiek ben ik in staat nog dertig centimeter hoger te komen”, zegt Looije, die in 1982 jeugdwereldkampioen was. Sommige concurrenten van toen springen inmiddels veel hoger. “Als anderen het kunnen, kan ik het ook. Maar je moet het geestelijk wel aankunnen. Daarom is het belangrijk om met iemand te trainen. Dan kan je met eigen ogen zien hoe hij het doet.” Zo hebben beide Nederlanders hun maatjes. Looije kan bij de Zuid-Afrikaan Botha terecht, Tamminga bij de Amerikaan Tarpenning.

De twee Nederlanders hebben inmiddels hoogten van boven de 5,70 meter bedwongen. Ook Rens Blom komt in die buurt. Nederland heeft in deze discipline een opvallend brede top. Daar heeft George Friant een groot aandeel in. Deze kleurrijke Belg is al zestien jaar in dienst als bondscoach van de Nederlandse atletiekunie. Met beperkte middelen zette hij een programma op. Friant had de drie Nederlandse springers als jonge talenten al onder zijn hoede. Tamminga, zoon van een voormalig sprinter, was verkocht vanaf het moment dat hij bij zijn vereniging een polsstok in handen kreeg. Looije was oorspronkelijk verspringer, maar stapte over. “Polshoog was zo ontzettend gaaf om te zien. Dat wilde ik ook doen.”

Friant is “fier” op de resultaten. “Deze jongens willen het hoogste bereiken. Daar moet je super-gedreven voor zijn, een beetje gek ook”, weet hij. Looije (25) en Tamminga (24) vinden dat ze niks gemeen hebben. “We doen allebei aan polsstokhoogspringen, dat is het enige.” Ze hebben respect voor elkaar, maar dat is het. Ze wilden in Boedapest ook niet op één kamer liggen. “Ik heb absoluut geen hekel aan Laurens, maar ik kies toch voor mezelf”, zegt Tamminga. Looije: “Soms vraag ik me bij Chris af of hij er wel 24 uur per dag mee bezig moet zijn. Ik doe er ook alles voor, maar toch anders.” Tamminga sloot zelfs een lening af om te kunnen blijven springen. “Ik heb financieel behoorlijk aan de grond gezeten. Maar ik wil straks kunnen zeggen dat ik er alles heb uitgehaald.”

Tamminga (1,72 meter) is klein van stuk. Zijn concurrenten kunnen met zwaardere stokken springen. Volgens wereldrecordhouder Sergei Boebka heeft Looije (1,85 meter) de ideale lengte. “Hoe langer je bent, hoe hoger je de stok kan pakken. Dat is vooral mentaal belangrijk”, zegt Looije. Tamminga: “Ik ben wat atletischer. Langere types hebben vaak een iets mindere coördinatie. Ik kan makkelijker corrigeren. Vergelijk het met een kat, die komt altijd op zijn pootjes terecht.”

De kleine Tamminga heeft vooralsnog vijf centimeter hoger gesprongen dan Looije. Tamminga: “Polsstokhoogspringen is niet het overwinnen van je tegenstanders, zoals bij de sprint, maar van jezelf en de materialen.” Tamminga wil naar de zes meter. “Maar dat is eigenlijk niet reëel.” Friant: “Je moet je droom voor jezelf houden. Als je op de ladder twee treden in één keer neemt, donder je naar beneden. Deze jongens kunnen de 5,80 aan. Daarna zien we wel weer verder.”