Een nuttige oude cursus

Willem Goere: Inleydinge tot de Al-ghemeene Teycken-Konst. Een kritische geannoteerde editie verzorgd door Michael Kwakkelstein. Primavera Pers. 168 blz. ƒ79,-

De schattingen zijn ruw, maar enkele jaren geleden is geraamd dat in de zeventiende eeuw in Nederland zeven tot veertien miljoen schilderijen zijn gemaakt. Een fractie daarvan is bewaard gebleven, maar dat is altijd nog voldoende om overal ter wereld in musea de lof van deze gouden periode te verbreiden. Verantwoordelijk voor deze enorme productie moeten honderden schilders zijn geweest. Slechts enkelen van hen hebben boeken over het vak geschreven, de meesten hebben nooit iets gepubliceer en dat is ook niet zo verwonderlijk. Het vak was een ambacht, georganiseerd volgens het gildesysteem. Men kwam als jongen in de leer bij een meester en wie talent had, braaf zijn best deed en het opleidingsgeld op tijd betaalde, werd gezel en ten slotte meester.

De grote lijnen van de opleiding lagen vast. Men leerde tekenen naar prenten en beelden en uiteindelijk naar levemd model, men werd getraind in het mengen van verven, het opspannen van het doek en leerde de teken- en schildermaterialen kennen. Ook moest men zich de verhalen uit de bijbel en de klassieke oudheid eigen maken. Maar elke meester had zijn eigen geheimen. Het openbaar maken daarvan zou zijn concurrentiepositie verzwakken. Dat was niet anders dan bij andere ambachten, of het nu om schoenmakers, kuipers of zilversmeden ging.

Er zijn wel enkele boeken over schilderkunst geschreven, maar dat zijn in eerste instantie schildersbiografieën. Tussen de regels door valt daarin wel iets te lezen over de werkwijze van de beschreven schilders. Ook bestaan er nog wel handgeschreven teksten met informatie over het vervaardigen van verven. Maar de finesses van het vak, de dagelikjkse praktij, de opleiding en niet te vergeten de betekenis van schilderijen, daar komt men moeizaam via omwegen iets over te weten. Het is daarom een aanwinst dat er nu een editie is verschenen van de tekst van een minder bekende zeventiende-eeuwse auteur die gedetailleerd uiteenzet hoe men de 'basis' van de schlderkunst leren kon: Willem Goerees Inleydinge tot de Al-ghemeene Teycken-Kunst. Het verscheen oorspronkelijk in 1668 en is daarna nog enkele malen vermeerderd uitgegeven en bovendien vertaald in het Frans en in het Duits.

Willem Goeree (1635-1711) was een boekhandelaar en uitgever in Middelburg en later in Amsterdam. Hij was een groot liefhebber van kunsten en wetenschappen. Hij moet bovendien een didactische aanleg hebben gehad. Zijn boek was niet alleen een praktische handleiding voor de tekenaar waarin de gangbare technieken werden uiteengezet, maar ook en misschien vooral een handleiding voor het tekenonderwijs. Zowel leraar als leerling konden er dus hun voordeel mee doen. Niet alleen de beroepsschilder, maar ook degenen die voor hun plezier tekenden, de amateur, of zoals Goeree het in de tweede druk omschreef 'me-nigh Braef Jongh Borst' van 'deftige Luyden Kinderen', en ook 'Ionge Dochters, en aensienelijcke dames, die vele ledigen tijdt hebben'. Ook de liefhebber, de kunsthandelaar, degene die 'verstandelijk' over kunst wilde oordelen kon profijt van zijn tractaat hebben.

De mooi uitgegeven editie van Goerees tekenboek heeft een grondige, informatieve goed geschreven en met relevante citaten doorspekte inleiding van de kunsthistoricus Michael Kwakkelstein, waarin hij het geschrift in de traditie plaatst. Daarop volgt de tekst van Goeree, fotografisch herdrukt uit de editie van 1668. Deze tekst heeft Kwakkelstein weer voorzien van noten, die duistere passages verklaren, of waarin verwezen wordt naar toevoegingen in latere drukken en naar passages die Goeree ontleend heeft aan oudere teksten.

Het idee en de compositie van dit boek mogen in Europa origineel zijn geweest, de inhoud is toch grotendeels ontleend aan oudere auteurs die zich over kunst hebben uitgelaten. Goeree is eerder een didactische compilator dan een revolutionair onderwijshervormer. Origineel is dat hij zo systematisch het onderwijs en de noodzakelijke oefeningen heeft beschreven. Minutieus heeft de bezorger aangegeven wat Goeree heeft ontleend aan Leonardo da Vinci's aantekeningen over de schilderkunst, die in 1651 in druk waren verschenen. Een andere auteur die stof heeft geleverd was Karel van Mander met zijn Schilder-boeck uit 1604. Op hun beurt hebben latere auteurs als Van Hoogstraten en De Lairesse weer aan Goeree ontleend.

Tekenen was - en zo lang dat al in de Italiaanse kunsttheorie verankerd - de basis van de schilderkunst. Alleen wie dat onder de knie had, kon zich ontwikkelen tot schilder. Het staat volgens Goeree 'by alel verstandige onfeylbaer vast, dat die een goet Schilder wil wesen, trachten moet een seecker ende volkomen Teyckenaer te zijn'. Zijn boek geeft stapsgewijs de stadia weer die de aspirant tekenaar moet doorlopen. Het begint allemaal met een goede meester, wat niet wil zeggen een groot kunstenaar, want, schrijft Goeree 'het gaet niet altijt seker dat goede meesters ook goede onderwysers zyn'. Die meester moet vooral individuele aandacht geven. De leerling moet leren tekenen naar prent en schilderij, naar beelden en naar levend model. Vervolgens worden de tekenmaterialen en de tekentechnieken behandeld. Daar leest men menig praktisch en onverwacht detail, zoals over de ideale opstelling bij avondlicht. Men kan dan beter geen kaars gebruiken omdat door het opbranden de schaduwen verschuiven. Een olielamp voldoet veel beter.

Goerees ambities bleven niet steken bij het schrijven over tekenen. Hij was van plan ook andere aspecten van kunst te beschrijven, zoals de schilderkunst, de architectuur, het perspectief, de menselijke anatomie, de historieschilderkunst en de werking van schaduw en licht. Alleen de delen over schilderkunst, bouwkunst en anatomie zijn verschenen. Ook uit die boeken spreekt Goerees absolute geloof in de vaste regels van de kunst. Als hulp bij het onderwijs voor liefhebbers zullen zijn boeken hun nut hebben gehad. Of er veel beroepsschilders het hebben gehanteerd is de vraag. De beste schilders, het soort dat Goeree omschrijft als geboren met een 'ghemeensamen ende stillen, doch speculativen Geest, aendachtigh, opmerckende, op al het gene hy ontmoet', zullen het niet nodig hebben gehad. Zij hadden het vak geleerd in de praktijk, van een goede meester die wars was van leerboeken en theorie.