De vroege geschiedenis der Denen; Een hond op de Noorse troon

Saxo Grammaticus: The History of the Danes. Books I-IX. Uit het Latijn vertaald door Peter Fisher en van een commentaar voorzien door Hilda Ellis Davidson. D.S. Brewer, 298 en 209 blz. ƒ 99,50

Alleen in de ontoegankelijke uithoeken van deze planeet is de wereld nog jong. In de regenwouden van Brazilië, het oerwoud van Nieuw Guinea of bij de Eskimo's in het ijzige noorden. Met een mengeling van verwondering en jaloezie neemt de 'beschaving' kennis van de handel en wandel van deze ongerepte samenlevinkjes die zich nog van vreemde smetten hebben weten vrij te houden. Het simpele geloof van deze laatsten der Mohikanen en hun voor puur en onbedorven versleten wereldbeeld wekken verwondering en vertedering. Ze zijn nog onze enige 'edele wilden', al durft geen mens ze nu nog zo te noemen.

Je vergeet licht dat ons deel van de wereld niet zo lang geleden ook jong was en dat de mensen op deze breedten nog in een universum leefden dat geladen was met wonderlijke verhalen, vreemde schepsels, monsters en helden en waarin er tussen deze en gene zijde geen duidelijk verschil bestond. Goden en mensen leefden in één betoverde wereld.

Deze voortijd van de westerse beschaving is bij ons niet bijster populair. De mensen die ooit in onze contreien woonden, hebben we aan de Duitsers overgedaan. Wij willen niet worden vereenzelvigd met barbaren in beestevellen, die bier dronken uit de schedels van hun overwonnen vijanden en, onbeschaafd als ze waren, gemakkelijk een plaatsje vonden in de verdachte opera's van Richard Wagner en de verdorven ideologie van het Derde Rijk.

Toch heeft hier ooit volk gewoond dat zich als elke samenleving voorstellingen heeft gemaakt van de wereld waarin het leefde. Die zijn hier bij ons grotendeels verdampt, maar een eindje verderop, in Denemarken, heeft men ze onbezwaard gekoesterd. Daar schreef aan het begin van de dertiende eeuw een zekere Saxo in het Latijn de geschiedenis van zijn volk in zestien boeken: de Gesta Danorum, 'De daden der Denen'. Voor het eerst is er een betaalbare vertaling van de eerste negen boeken beschikbaar die de legendarische geschiedenis van het nog heidense Denemarken en omstreken behandelen tot de dood van Gorm III in 936. Ze zijn door Peter Fisher in het Engels vertaald en door Hilda Ellis Davidson voorzien van een uitgebreid commentaar. De zeven overige boeken, die niet in deze uitgave zijn opgenomen, beslaan de meer historische periode tot 1202, die met de komst van het christendom en het schrift zijn legendarische karakter had verloren.

Trollen

Nadat het stof van de volksverhuizingen was opgetrokken, vonden de nieuwe rijken en rijkjes dat zij naar Romeins voorbeeld een geschiedenis van zichzelf nodig hadden. Gregorius van Tours schreef een geschiedenis van de Franken, Paulus Diaconus van de Longbarden, Jordanes van de Gothen, Widukind van de Saksen. En zo waren er meer.

Hun voorbeeld werd door de Deen Saxo gevolgd. Hij leefde van ongeveer 1150 tot 1220 en was een geleerd man, wat hem waarschijnlijk zijn bijnaam Grammaticus heeft opgeleverd. Zijn kennis gold niet alleen de Latijnse klassieken, maar ook de oude Deense, Noorse en IJslandse schrijvers die de verhalen uit de heidense voortijd hadden bewaard. De eerste negen boeken zijn dan ook een goudmijn aan mythen en legenden, waarvan de originele versies vaak verloren zijn gegaan maar waarvan we het bestaan en de inhoud kennen dankzij Saxo. De Gesta Danorum is hierdoor een wonderlijke mengeling geworden van klassieke en oud-Noorse stijlen. Elementen uit de antieke epiek en retorica worden afgewisseld met noord-Europese vertel- en dichtkunst. Het resultaat is een lange, soms verwarrende, aaneenschakeling van verhalen en nog eens verhalen. Er lijkt geen einde aan te komen. En alsof het niet genoeg is kan men in het goede commentaar lezen welke versies er verder nog van in omloop zijn en welke verhalen uit andere bronnen er mee kunnen worden verbonden. Gestalten van vorsten, reuzen, dwergen, walkuren en een enkele trol lichten even op om daarna weer te verdwijnen.

Maar er zijn ook helden die de aandacht van de schrijver langer weten vast te houden. Dat waren de groten die vroeg in de dertiende eeuw nog in het geheugen voortleefden. Zo'n held was bijvoorbeeld Starkather, de John Wayne van de oude Denen. Niemand wist precies waar hij vandaan kwam. Een eenzame wolf was hij, een dichter, sterk als een beer, kortaangebonden, conservatief, trots op zijn status, maar beladen met de vloek ooit in zijn roemrijke leven drie laffe daden te moeten verrichten. Op zijn oude dag trok hij er nog eenmaal op uit om zich door een passende tegenstander te laten doden, want een man als hij stierf niet in bed.

Hieruit blijkt misschien al dat de Gesta Danorum een geschiedenis is van oorlog en strijd. De schrijver is totaal niet geïnteresseerd in economie, kunst en wetenschap of het leven van de kleine man. De geschiedenis, dat zijn - als bij Homerus - de daden van de groten in tijden van oorlog. De rest is bijzaak.

Toch waren er helden als koning Regner, bijgenaamd Lothbrog, 'slobberbroek', die bij het schoorvoetende begin van de historische periode al veel meer een organisator dan een vechtjas was. Ook Erik de Welsprekende, legendarische stamvader der Zweedse koningen, is een uitzondering in deze wereld vol Rambo's. Deze diplomaat is een wandelend spreekwoordenboek vol boeren-esprit. Het commentaar van Davidson weet echter aannemelijk te maken dat zijn aanvankelijk ondergeschikte positie aan het Deense hof overeenkomt met de rol die Odin zich aanmeet als hij zich in vermomming onder de mensen begeeft om zijn gunstelingen te steunen. Zo blijken mensen onverwacht goddelijk en goden menselijk.

Iets dergelijks vindt men ook in het verhaal van de legendarische koning Hading, die aan de borst van een reuzin werd grootgebracht. Als Proteus kon ze van gestalte veranderen en zo werd ze van Hadings min zijn minnares. Dergelijke vrouwenfiguren keren met grote regelmaat terug. Zij zijn beschermgeesten, die hun geliefde held voor allerlei onheil bewaren en hem als walkuren de overwinning in de strijd kunnen geven, maar hem ook in hun armen van het veld van eer naar de eeuwige slagvelden wegdragen.

De vrouw heeft vele gezichten in Saxo's geschiedenis. Ze kan een wraakzuchtige loeder zijn, met wie het kwaad kersen eten is, of een van de formidabele matrones, die van hof naar hof worden uitgehuwelijkt. Meisjes volgen als soldaat hun geliefde ten strijde of gaan in bendes op strooptocht. Enkelen leven tot hun huwelijk onder de wapenen.

Eén van Saxo's helden komt ons onverwacht vertrouwder voor dan de rest. Ik doel op Amleth, de zoon van Orvendil en Gerutha, die wij kennen als Hamlet. Shakespeare heeft de stof voor zijn toneelstuk aan de Gesta Danorum ontleend, waar zijn Deense voorbeeld eveneens een machteloze, welbespraakte, maar voor 'dwaas' versleten koningszoon is, die geduldig wacht tot hij zich op zijn oom kon wreken die zijn vader vermoordde en met zijn moeder trouwde.

In de Gesta Danorum, met al zijn oorlogen, strooptochten en vetes domineren de waarden van de krijger, die in het tweegevecht zijn ware grootheid moet tonen. De dood boezemt hem geen angst in, want in de roem die hem overleeft en in de liederen die over hem worden gezongen overwint hij de dood. In de poëzie zullen zijn daden bovenmenselijk zijn en zijn krachten goddelijk. Dat is de zin van het heldendom. Het is een levenshouding die we uit de Homerische wereld kennen en die we in Japan bij de samoerai aantreffen.

De heroïsche wereld lijkt in niets op de onze. Wij, die gewend zijn onze geschillen uit te praten, zullen nooit kunnen begrijpen dat regeringshoofden elkaar met het zwaard te lijf gaan om hun conflicten uit te vechten. Er bestond geen internationaal recht, wie ten oorlog trok deed dat uit opportunisme. Er viel bij de buren altijd wel wat te halen: grondgebied, rijkdom en - vooral - roem.

Lafheid was iets verachtelijks. Toen Gunnar, koning der Zweden, de Noren had overwonnen, zette hij een hond als koning op de Noorse troon uit minachting voor hun geringe tegenstand.

Brullen

Wat is er waar aan al die verhalen? Men weet het niet goed. De eerste negen boeken van de Gesta Danorum bieden nergens een helder chronologisch houvast. Globaal genomen spelen Saxo's eerste zes à zeven boeken zich af in de mist der tijden en herkent men in de laatste twee vaag de omtrekken van de volksverhuizingen, gevolgd door het begin van het grote tijdperk der vikingtochten. Maar de werkelijkheid blijft schimmig en wordt steeds weer door de legende ingehaald. Zo begint het vijfde boek met het verhaal van de minderjarige koning Frothi wiens hof en land geterroriseerd wordt door een dozijn berserkir, dat wil zeggen elitekrijgers die in de strijd door razernij worden bevangen en brullen en schreeuwen en in hun schild bijten. Ze zijn onkwetsbaar en kunnen met hun blik een zwaard stomp maken. Omdat het bewind door hun optreden impopulair is, denken de Noren dat de tijd rijp is om Denemarken te veroveren. Om te zien hoe het met de Deense verdediging gesteld is, organiseren ze een paar strooptochten naar de Deense kust. Dit klinkt allemaal vrij 'normaal'. Maar het antwoord van de Denen is verrassend. Ze sturen Oddi op de Noren af. Destijds stond hij als zeerover in hoog aanzien. Omdat hij de toverkunst machtig was, had hij geen schip nodig om over de zeven zeeën te zwerven en kon hij vijandige schepen laten kapseizen door met zijn tovenarij stormen op te roepen. Toen het tot een treffen met de Noren kwam 'verzwakte hij', aldus Saxo, 'het gezichtsvermogen van de vijanden met de macht van zijn toverzangen, waardoor ze geloofden dat de zwaarden, waarmee de Denen van verre zwaaiden, stralen uitzonden en schitterden alsof ze in brand stonden.' Waarna de Noren in de pan werden gehakt. Waar gebeurd.

De Gesta Danorum is ook een vol boek, overvol soms. Het komt daardoor pas goed tot zijn recht als het rustig en aandachtig wordt gelezen en het commentaar niet wordt overgeslagen. Regelmatig barsten de helden in gezang uit, soms pagina's achtereen, of onderbreekt Saxo zijn relaas voor een volksverhaal, een sprookje, een romance of een retorische uitweiding. Abrupte wendingen en losse einden zijn talrijk. 'Hij ging naar Rusland en hing zich op', heet het over een koning, nadat Saxo lang over zijn leven had verteld. Maar wat geeft het, de wereld is immers nog jong?