De Nederlandsche Bank greep ondanks argwaan niet eerder in; De val van Bank Bangert Pontier

In het beursfraude- schandaal deed de toezichthouder op de banken, De Nederlandsche Bank (DNB), één keer nadrukkelijk van zich spreken. Dat was begin november '97 toen zij keihard ingreep bij de in opspraak geraakte Amsterdamse zakenbank Bank Bangert Pontier (BBP). De voltallige directie moest terugtreden, er volgde aangifte bij justitie en BBP ging in recordtijd over in handen van de Friesland Bank. Waarom gebeurde dat eigenlijk zo plotseling? Kwamen de feiten bij BBP voor de toezichthouder als een volslagen verrassing? Een reconstructie van de val van Bank Bangert Pontier aan de hand van vele gesprekken, documenten en interne onderzoeksdossiers. “Het feit dat we ingrepen was juist, maar het had misschien wel wat eerder gemoeten.”

Aan het eind van een dramatische week ging de directievoorzitter van Bank Bangert Pontier (BBP), drs. J. H. Pontier, op bezoek bij De Nederlandsche Bank. Het was vrijdag 7 november '97 en de afgelopen weken was pijnlijk duidelijk geworden dat BBP betrokken was bij de toen net uitgebarsten beursfraude. “Bij het vertrek deelt een geëmotioneerde drs. Pontier mee dat hij het gevoel heeft dat hem een truc is geleverd”, staat in het vertrouwelijke gespreksverslag van DNB te lezen.

Het kleine stukje affectie in de anders zo degelijke DNB-stukken is misschien wel typerend voor de situatie. Tot dan waren de kernwoorden in het toezicht op de bankwereld: respect, overleg en vooral: als bankiers in vertrouwen met elkaar. “Trucs leveren”, hoorde daar niet bij. Maar in het 'BBP-dossier' liep eigenlijk alles mis.

Bank Bangert Pontier was die dagen in korte tijd verworden van respectabele zakenbank tot verschoppeling in de Amsterdamse financiële wereld. En dat terwijl het juist zo goed ging. Was '96, met een winst van 2,7 miljoen gulden, al een succesjaar geweest, '97 zou alle verwachtingen overtreffen. Er werd een winst van bijna 10 miljoen gulden verwacht, de stroom nieuwe klanten en institutionele beleggers werd steeds groter en de verhuizing naar een groter grachtenpand, naast de ambtswoning van de burgemeester, was aanstaande. Maar op woensdag 5 november '97 was in één klap alles anders. Via de media werd bekend dat in het appartement van een van BBP's klanten, E.J. Swaab, een huiszoeking was verricht in het kader van 'Operatie Clickfonds'. Daarbij trof justitie honderdduizend gulden contant geld aan, afkomstig van Bank Bangert Pontier. Eén van de drie BBP-directieleden, Marius Klunne, had het geld in een restaurant aan Swaab overhandigd.

Er gebeurde waar alle financiële instellingen die dagen als de dood voor waren: BBP werd bezoedeld met de beursfraude. En, zo vreesde Pontier, er zou meer boven water kunnen komen. De handel en wandel van Swaab was al langer onderwerp van discussie binnen het bedrijf. Hans Pontier had het allemaal graag binnenskamers willen houden en had ook geprobeerd om 'het vlekje Swaab' weg te werken. Tevergeefs, zo leek nu. De dominostenen waren aan het vallen.

Het verhaal over Eddy Swaab en zijn relatie met Bank Bangert Pontier begint in de vroege jaren negentig, toen hij zich aanmeldde als cliënt. Voor die tijd had Swaab, directeur van het in Londen gevestigde effectenkantoor Financial Trading & Consultancy (FTC), gebankierd bij Van Meer James Capel (VMJC). Daar was hij een niet onomstreden klant. Hij had de warme aandacht van de Engelse toezichthouder TSA, zijn naam was in verband gebracht met een voorkennisaffaire en hij verrichtte, volgens VMJC-medewerkers, allerlei verdachte transacties via zijn privé-rekeningen bij die bank. Daarnaast waren er geruchten dat Swaab steekpenningen betaalde aan pensioenfondsbeheerders en medewerkers bij effectenbanken. Zo was in kleine kring bekend, vertelt een oud-topman van VMJC, dat Swaab een “gouden contact' had bij de grote Zwitserse bank UBS. Daar speelde hij met een effectenhandelaar onder één hoedje door vantevoren koersen af te spreken van te verhandelen effecten. De telefonische gesprekken tussen Swaab en zijn contact waren door UBS opgenomen en de betrokken medewerker viel door de mand. UBS gaf natuurlijk geen ruchtbaarheid aan de zaak, maar in het bankwereldje werden de gegevens wel als waarschuwing doorgespeeld.

Uiteindelijk vertrok Swaab met zijn privé-rekeningen van Van Meer James Capel naar een andere bank in Amsterdam: Bank Bangert Pontier. Dat was een logische keuze, want bij BBP was een oud-VMJC'er inmiddels directielid geworden. Hij heette Marius Klunne en was een goede bekende van Eddy Swaab. Klunne werd zijn account-manager (en van zijn bedrijf FTC). In de jaren daarna werden bij BBP diverse rekeningen geopend. Ze stonden allemaal op naam van buitenlandse vennootschappen en Eddy Swaab was niet direct als de man erachter te traceren. Wel deed hij regelmatig contante kasopnames. Volgens het onderzoeksdossier van Operatie Clickfonds nam hij sinds '92 voor zeven miljoen gulden aan contanten op, regelmatig uitgekeerd door Klunne. Verder verstrekte hij zijn account-manager ook nog een lening van 375.000 gulden, zodat Klunne een belang van vijf procent in BBP kon nemen. Een cliënt die zijn eigen bankdirecteur een krediet geeft, dat was wel een beetje raar, zeggen BBP-werknemers nu. Maar ja, er was wel meer raar aan Swaab. Afgezien van de grote contante kasopnames, werden er ook vraagtekens gezet bij de transacties die Swaab op zijn BBP-rekeningen deed. Zo was het opvallend dat bij een transactie zijn bedrijf FTC vaak verlies leed, terwijl de winst op één van zijn privé-rekeningen viel. Aan de andere kant deed hij zaken met bekende financiële instellingen en was het “een rustige klant met een laag profiel”.

In december '95 kwam Bank Bangert Pontier met een, voor die tijd revolutionair, artikel op de markt: het Escape-product. Klanten konden zonder risico via opties voor honderd procent meedoen met de stijging van de effectenbeurs. Het was een soort voorloper van de latere 'clickfondsen' en het sloeg geweldig aan. Dat was F. van Lanschot Bankiers, die mee had geholpen met de introductie van Escape, niet ontgaan. Van Lanschot wilde graag een belang in Bank Bangert Pontier en dacht zelfs over een complete overname.

Begin '96 kwamen uitgebreide gesprekken op gang en Van Lanschot gaf opdracht voor een 'due diligence-onderzoek': een doorlichting van het bedrijf. Het gerenommeerde advocatenkantoor Loeff Claeys Verbeke voerde het uit en de uitkomsten vielen niet mee. De mensen van Loeff hadden heel BBP ondersteboven gekeerd en waren onder meer gestuit op die ene klant met het “lage profiel”: Eddy Swaab. Of beter gezegd: ze waren gestuit op zijn vennootschappen, zoals de Ierse trustmaatschappij Kilgarvan, want de naam Swaab was nergens terug te vinden. Bovendien kwam boven water dat diezelfde onbekende klant regelmatig grote contante kasopnames deed. Op zichzelf was het niet zo vreemd als een cliënt af en toe wat geld van zijn rekening haalde, voor de aankoop van een auto bijvoorbeeld, of voor een verbouwing van een huis. Maar in dit geval ging het om wel erg hoge frequenties en bovendien om grote bedragen. Tot slot ontdekte men dat directielid Klunne een lening had lopen via de Kilgarvan-rekening van de onbekende klant.

Van Lanschot eiste meer duidelijkheid: wie zat er achter 'Kilgarvan' en hoe zat het met die cash-opnames? De directie van Bank Bangert Pontier voelde er niets voor om daar antwoord op te geven. Ze vond dat BBP het recht had om klanten faciliteiten aan te bieden die anonimiteit garandeerden. Daarnaast was er al irritatie over het concept-overnamecontract dat Van Lanschot op tafel had gelegd. Er stonden allemaal zaken in die de directieleden niet bevielen: de bonusregeling werd aangetast, ze moesten als privé-persoon een balansgarantie afgeven en de te betalen goodwillbedragen konden ieder moment geblokkeerd worden. De aanvankelijk enthousiast begonnen overname-onderhandelingen stagneerden en “verloren hun ziel”, zoals een ingewijde vertelt. De affaire rond de 'mysterieuze klant' verpestte de sfeer definitief. Halverwege '96 werd er een punt gezet achter de overnameplannen.

Op 27 augustus '96 kwam de raad van commissarissen van BBP in een bijzondere vergadering bijeen om het afketsen van de overnamegesprekken en het Loeff-rapport de revue te laten passeren. Al snel kwam 'de onbekende cliënt' aan de orde, zo blijkt uit de notulen. De term reputationeel risico viel een paar keer. De directie liet weten dat “de mutaties van de klant, mede gezien de goede banden met gerenommeerde instituten, de sfeer van goede namen en de jarenlange relatie, in elk geval niet de twijfels hebben opgeroepen die rechtvaardigen dat de relatie als onderdeel van het onderhandelingsproces bij overname wordt beëindigd”. Toch zegden de directieleden de commissarissen toe om cliënt en kasopnames eens wat nader te bekijken.

Op dezelfde dag circuleerde er op De Nederlandsche Bank, die als toezichthouder de overnameplannen nauw had gevolgd, een interne notitie. DNB was al op de hoogte van het due diligence-onderzoek en een DNB-accountant meldde de afdelingsdirecteur Toezicht-accountantsdienst dat “een Ierse cliënt zeer regelmatig en al jarenlang kasopnamen bij BBP doet zonder dat duidelijk is welke partij erachter zit; BBP doet hier zaken met een stroman”.

De BBP-directie realiseerde zich ondertussen maar al te goed dat het due diligence-rapport niet zomaar de papiervernietiger in kon. De kans was groot dat DNB nadere vragen zou stellen over de vervelende zaken die het rapport aankaartte. De BBP-directie besloot het initiatief te nemen. Op 30 augustus '96, daags na de vergadering met de raad van commissarissen, ging men op bezoek bij de afdeling Toezicht-accountantsdienst van DNB. Uit het gespreksverslag blijkt dat de drie 'hete hangijzers' op tafel werden gelegd: BBP heeft geen inzicht wie de “beneficial owner” (de uiteindelijk belanghebbende) is achter de 'Kilgarvan'-rekening, er zijn bij BBP door Kilgarvan “diverse keren kasopnames groter dan honderdduizend gulden gedaan” en “een directeur van BBP heeft een lening opgenomen bij Kilgarvan ter financiering van de aankoop van aandelen Bangert”.

De BBP-directie beloofde DNB dat ze de zaak ging onderzoeken. Op 25 september '96 hadden ze een gesprek met Eddy Swaab. Die wilde best wat meer duidelijkheid geven. Uit interne BBP-stukken blijkt dat “de directie is uitgenodigd in Zürich om zich te overtuigen van de beneficial owner, cliënt wil dit alleen niet schriftelijk vastgelegd hebben”. In Zwitserland, bij het advocatenkantoor Künzli & Seeholter, die formeel het beleggingsbeleid bepaalde van Swaabs rekeningen, werd al snel duidelijk dat Eddy Swaab zelf achter de vennootschappen zat. Het werd keurig gemeld aan DNB, evenals een aantal andere afspraken die de BBP-directie met Swaab maakte: de contante kasopnames moesten worden beperkt, ze mochten nooit meer zijn dan 25.000 gulden per keer (afgeleid van de Wet Meldpunt Ongebruikelijke Transacties) en BBP zou “desgevraagd geïnformeerd worden over de achtergrond van de door Kilgarvan via BBP uitgevoerde effectentransacties”. De Nederlandsche Bank was tevreden. In een brief schreef directeur P. Cornet aan de BBP-directie dat DNB “kan instemmen met de zorgvuldige wijze waarop de directie van Bangert de geconstateerde tekortkomingen heeft aangepakt”. Het is dan 4 december '96.

Toch had DNB kunnen weten wie Eddy Swaab was. In een zeer vertrouwelijk onderzoek van het Controlebureau van de beurs (CB), gedateerd 29 oktober '90, was hij, toen hij nog bankierde bij Van Meer James Capel, uitgebreid besproken. Ook de Kilgarvan-rekening werd genoemd, evenals de kasopnames: “Door ons is vastgesteld dat (..) grote bedragen aan contanten zijn opgenomen ten kantore van VMJC (..) in opdracht van Swaab”. “Hoewel de Wet MOT toen nog niet gold, moet DNB als toezichthouder bij VMJC van die cash-opnames op de hoogte zijn geweest”, zegt een bankier.

Waarom zijn er bij DNB geen belletjes gaan rinkelen toen de naam van Eddy Swaab achter een aantal rekeningen bij BBP opdook en duidelijk werd dat hij grote kasopnames deed? Waarom keek de toezichthouder, zeker na het due diligence-onderzoek van Loeff Claeys Verbeke, niet actiever naar de handel en wandel van Swaab bij BBP? Waarom werd er, nà de brief van 4 december '96, niet scherper gecontroleerd of Swaab (en BBP) de kasopnames inderdaad beperkte(n) tot de afgesproken 25.000 gulden per keer? DNB laat formeel weten “geen mededelingen te doen over personen verbonden aan onder toezicht staande instellingen”, maar anonieme bronnen binnen DNB erkennen dat het natuurlijk veel beter was geweest om in ieder geval vanaf december '96 BBP en haar cliënt Eddy Swaab wat actiever in de gaten te houden. “Maar de sfeer rondom het toezicht was toen anders; wij vertrouwden op de afspraken die we met banken maakten”, aldus de bron.

Dat vertrouwen bleek niet terecht. Op 24 oktober '97 brak het beursfraudeschandaal uit. Op die dag deed justitie onder meer de bewuste huiszoeking in Swaabs appartement, een gebeurtenis die aanvankelijk onbekend bleef. Pas op dinsdagochtend 28 oktober '97 werd Eddy Swaab in de Financial Times voor het eerst genoemd als betrokkene bij het Nederlandse beursfraudeschandaal.

Op dat moment ging bij de BBP-directie het alarm af. Net in die tijd speelde één van de “opmerkelijke” effectentransacties op een van Swaabs rekeningen waarbij op één dag vier miljoen Zwitserse francs winst was gemaakt. Gezien de voorgeschiedenis rondom Swaab besloot directievoorzitter Hans Pontier tot de offensieve strategie. De transactie werd meteen gemeld aan de Stichting Toezicht Effectenverkeer. Daarnaast zocht men nog tijdens de BBP-directievergadering telefonisch contact met Swaab, die zich in Londen bevond. Nog diezelfde middag, om 15.30 uur, verscheen Swaab op het BBP-kantoor aan de Keizersgracht voor een vergadering met de directie. In de notulen van die bijeenkomst staat te lezen dat Swaab de huiszoeking bij hem en zijn kantoor FTC bevestigt. Maar ook: “Swaab stelt dat hij geen strafbare handelingen heeft verricht in zijn relatie met Bank Bangert Pontier. Wel acht hij het denkbaar dat hij een aanzienlijk verschil van mening krijgt met de Nederlandse belastingdienst”. Maar Pontier wilde van zijn cliënt af. Hij stelde dat BBP de relatie wilde beëindigen, omdat Swaab en zijn bedrijf FTC “verdacht zijn in een onderzoek naar fraude”.

Daarmee leek de storm geluwd. Een week later stak hij evenwel des te heviger op. Dinsdag 4 november '97 werd bekend dat er op 24 oktober een huiszoeking in Swaabs appartement was geweest en dat daar honderdduizend gulden in contanten was gevonden. En dat het geld afkomstig was van BBP. Hans Pontier, die ook commissaris was bij AEX Exchanges en bestuurslid van de Vereniging voor de Effectenhandel, schrok zich wezenloos. Hij had met de snelle actie van vorige week juist gedacht BBP uit de publiciteit te houden en vooral: ver weg van de beursfraude. Bovendien was hij helemaal niet op de hoogte van de uitbetaling van de honderdduizend gulden. Diezelfde week probeerde Pontier de zaak nog vlot te trekken. Zijn collega-directeuren De Kleine en Klunne traden terug. Vrijdag zat Hans Pontier bij De Nederlandsche Bank. Daar waren, na de hevige publiciteit over Bank Bangert Pontier, de bellen inmiddels óók gaan rinkelen. “Gezien alles wat we al wisten, konden we niet anders dan toen bikkelhard ingrijpen”, vertelt een bron bij de toezichthouder. En dat gebeurde ook. Die middag kreeg ook Hans Pontier het signaal dat hij maar beter kon opstappen. Zaterdag was hij nog even op kantoor, maar toen was het bedrijf al als zand tussen zijn vingers weggeglipt. Er volgde aangifte bij justitie, DNB begon een grondig onderzoek. Zondagmiddag stuurde Pontier vanuit zijn huisadres een fax naar DNB dat hij zich terugtrok als directievoorzitter.

Toen DNB eenmaal goed in de boeken dook, was het prijsschieten voor de toezichthouder. Men ontdekte, zo blijkt uit diverse verslagen, een aantal interessante zaken die de toezichthouder bij haar normale controles bij BBP blijkbaar nooit had onderzocht. Natuurlijk waren daar de “ongebruikelijke transacties” op de rekeningen van Swaab. Het verbaast DNB dat “op dezelfde dag of binnen een tijdsbestek van enkele dagen, winsten op specifieke rekeningen worden gegenereerd. (..) De indruk bestaat dat BBP zich bewust tussen FTC en Kilgarvan heeft laten schuiven”. Wat de contante kasopnames betreft bleek de afspraak met DNB over het opnemen van maximaal 25.000 gulden niet echt nagekomen: “Het heeft geleid tot vele individuele transacties van elk 25.000 gulden. In totaal is op deze wijze in '97 625.000 gulden (t/m 24 oktober) uitbetaald via 21 kastransacties. Over heel '96 bedroeg de totale contante uitbetaling 910.000 gulden via 9 kastransacties”. Ook stuitte DNB op “opmerkelijke” aandelentransacties van directielid Klunne, “zeker met de kennis die bestaat over de relatie met de heer Swaab”. De toezichthouder zegt “sterk de indruk” te hebben dat Klunne voor zijn privé-rekening gebruikt heeft gemaakt van koersgegevens die hij heeft verkregen van een van Swaabs vennootschappen, een “meeloop-transactie” noemt DNB dat. En er kwam nog een konijn uit de hoge hoed, dat niets met Swaab te maken had. BBP bleek nauwe banden te hebben met het Luxemburgse bedrijf Codalux. Vastgesteld werd dat Codalux-klanten contant geld van hun rekening haalden via de BBP-kas, zonder dat in de administratie te zien was wat de identiteit van de rekeninghouders was. “Het is duidelijk wat de reden is”, vertelde een BBP-werknemer later in zijn verhoor door de FIOD. “De klant wil onbekend blijven in verband met zwart geld. Het is ook zo dat de renteseignering door de banken op deze manier wordt gefrustreerd.”

Uit de onderzoeksverslagen en de aangifte die De Nederlandsche Bank bij justitie deed, blijkt dat de toezichthouder haar werk zorgvuldig en exact deed. Alleen: het was wel te laat. Per slot van rekening werd er intern in augustus '96 al gesproken over de onbekende Ierse cliënt die als “stroman” zou opereren. Ook de kasopnames waren bekend. En de toezegging van de BBP-directie eind '96 voor meer informatie over de effectentransacties op de Kilgarvan-rekening is blijkbaar door DNB nooit op eigen initiatief tegen het licht gehouden. Niet voor niets zegt een anonieme bron binnen DNB: “Het feit dat we ingrepen was juist, maar het had misschien wel wat eerder gemoeten.”

In dat licht klonk de suggestie van Minister Zalm (financiën) op 23 december '97 in de Tweede Kamer misschien wel wat stoer. In antwoord op Kamervragen over de zaak zei hij dat DNB “eind '96 in gesprek is geweest met BBP in verband met beperking van het kasverkeer”. Volgens Zalm was er toen geen aanleiding om “bepaalde kastransacties” als ongebruikelijk aan te merken. Toch heeft DNB in '97 “in het kader van haar toezichthoudende taak een nader onderzoek ingesteld naar kastransacties bij BBP”. Wat daar de aanleiding voor was en waarom dat onderzoek niet eerder plaatsvond, zei de bewindsman er niet bij.

Inmiddels is Bank Bangert Pontier goeddeels overgenomen door de Friesland Bank. De vennootschap heeft de zaak als rechtspersoon met justitie geschikt. Maar de drie oud BBP-directieleden zitten thuis en moeten nog voor de rechter komen. Mensen die via Codalux de belasting ontdoken worden fiscaal vervolgd. Eddy Swaab houdt zich op in Zwitserland. Tegen hem loopt een internationaal opsporingsbevel. Het 'reputationele risico', de term die in verband met zijn persoon bij BBP regelmatig aan de orde kwam, is toch te groot gebleken.