Dan janken ze maar; Nederlandse frontartiesten 1947-1951

“Dat het in Indië puur oorlog was, kreeg je niet te horen.” Zo'n vijftig jaar geleden ging een groot aantal artiesten, onder wie de Spelbrekers en Coby Schreyer, naar Nederlands-Indië om op te treden voor de troepen. “We hebben daar niet gewerkt voor de regering, maar voor onze buurjongens - die werden óók maar gestuurd.”

Vier dagen duurde de reis naar Batavia, want 's nachts kon nog niet worden gevlogen. Met de Lockheed Constellation van de KLM werden tussenstops gemaakt in Rome, Caïro, Basra, Karachi, Calcutta, Bangkok en Singapore. De artiesten aan boord keken hun ogen uit; voor het eerst na vijf jaar bezetting zagen ze het buitenland - een andere wereld. Thuis was het grauw en armoedig; etenswaren en kleding waren nog op de bon. Daar was het warm, en wie weet kon je er bananen en sinaasappelen en nog andere heerlijkheden eten.

Het groepje toneelspelers dat in juni 1947 naar Nederlands-Indië vloog om de Nederlandse soldaten ('onze jongens') te verkwikken met Blithe Spirit van Noel Coward en Candida van Shaw, verheugde zich vier dagen lang op de rijsttafel die hen in Batavia ongetwijfeld zou wachten. Toen het eindelijk zo ver was, geurde de eetzaal in het hotel echter naar iets heel anders. Speciaal voor zijn Nederlandse gasten had de kok grote hoeveelheden boerenkool met worst-uit-blik op de kop weten te tikken. Het lag te dampen in de borden. Maar gelukkig was er een sinaasappel toe.

De acteurs, onder wie Mary Dresselhuys, Mimi Boesnach, Joeki Broedelet, Cor Hermus en Fons Rademakers, waren drie maanden lang in Nederlands-Indië. Ze behoorden tot de honderd gezelschapjes - in totaal 473 personen - die in de eerste naoorlogse jaren optraden voor de Nederlandse troepen. Zij waren de eerste, en tot dusver ook de laatste frontartiesten die Nederland ooit heeft gehad. Ze speelden op gammele podiumpjes, trokken vaak urenlang door de rimboe om een verre buitenpost te bereiken en zagen hun bewegingen belemmerd door het krijgsgewoel van de bevrijdingsoorlog die er woedde. Maar daarover dacht men doorgaans niet te diep na.

“Die discussie is pas later gekomen”, zegt Theo Rekkers van het eertijds gevierde zangduo de Spelbrekers. “Toen zagen wij de gevechten als een noodzakelijk kwaad. We dachten dat onze soldaten daar voor een goede zaak aan het vechten waren. Andere gedachten kwamen niet bij je op. En wat men er nu ook van moge denken: ik vind nog steeds dat het nuttig was, wat wij daar als artiesten hebben gedaan.”

Ze werden uitgezonden door de onder het ministerie van Overzeese Gebiedsdelen ressorterende organisatie Nationale Inspanning Welzijn Indië (NIWIN), die in vijf jaar tijd in totaal 22,3 miljoen gulden te besteden had: 15,3 miljoen overheidssubsidie en 7 miljoen uit inzamelingsacties onder het Nederlandse volk. Onder voorzitterschap van prins Bernhard verstuurde de NIWIN niet alleen artiesten en complete radioprogramma's, zoals de populaire kenniskwis Hersengymnastiek, maar ook filmapparatuur, kerstpakketten, boeken, tijdschriften, schriftelijke cursussen, kantinewagens, grammofoons en grammofoonplaten, limonadesiroop, radio-ontvangers, sport-attributen en 14,5 miljoen sigaretten. “Wij moeten ons inspannen”, zei minister-president Beel in 1946 in een radiotoespraak, “opdat de jongens ontspanning zullen hebben.”

Beschaafd

Maar niet iedereen mocht die ontspanning brengen. De meeste artiesten die zich op voorspraak van de vooraanstaande radio- en revueproducer Frans Muriloff bij de NIWIN meldden, moesten eerst auditie doen. Daarbij werd van groot belang geacht hoe beschaafd hun optreden was. In theater Odeon in Den Haag werden ze bekeken door officieren en kerkelijke autoriteiten, en soms ook door mevrouw T.H. Spoor-Dijkema, die als echtgenote van de Nederlandse legercommandant intensief bij de welzijnszorg betrokken was.

Zo kreeg een acrobatenduo de opdracht op het podium een extra onderbroek te dragen. En de cabaretgroep van Wim Sonneveld werd geweigerd, omdat hij probeerde zijn vriend mee te nemen onder het mom dat die óók een rolletje in de voorstelling speelde. Ze hadden hem in de gaten, en van homoseksuele viezigheid moesten ze niets hebben. Toen de befaamde humorist Lou Bandy met hetzelfde excuus een vriendinnetje meesmokkelde, werd daar vanzelfsprekend geen drukte over gemaakt.

Veel voorbereiding was er verder niet bij. “Van een mevrouw op het kantoor in Den Haag kregen we het advies een kussentje mee te nemen”, herinnert Theo Rekkers zich. “Anders hobbelde het zo, als we met een jeep over onverharde wegen moesten rijden. Meer werd ons niet verteld.” Hij wordt bijgevallen door zijn collega Huug Kok: “Zij wisten óók niks. Dat het daar puur oorlog was, kreeg je niet te horen.”

Voor de Spelbrekers, die in oktober 1947 aan hun vierdaagse vliegreis begonnen, betekende het NIWIN-contract volgens Rekkers in de eerste plaats drie maanden vast werk. “Toen er langzaam maar zeker een kentering kwam in het aantal bevrijdingsfeesten, zakte het werk een beetje in. En we waren alletwee getrouwd, met kinderen. Natuurlijk was dit een geweldig avontuur, maar het belangrijkste was toch dat het ons vastigheid bood. We verdienden ieder 600 gulden per maand, dat was niet slecht betaald.”

“Eigenlijk wist je nauwelijks wat daar in Indië precies aan de hand was”, beaamt de latere mime-komiek Bueno de Mesquita, die destijds als gitarist bij het swing-orkest The Red White and Blue Stars speelde. “Je ging erheen om de jongens die daar aan het knokken waren een plezier te doen. En vergeet niet dat ik als jood net uit de onderduik was gekomen - je ging iets van de wereld zien, je vergaapte je aan de schoonheid van het land en je had verder nergens negatieve gedachten over.”

Discussiëren

Meer twijfels had Coby Schreyer, zangeres bij de driekoppige Novelty Sisters. “Als lid van de Partij van de Arbeid was ik erg kritisch over het Nederlandse beleid in Indonesië”, zegt ze. “Onze eigen Drees keurde het goed, maar ik zat ermee in mijn maag en voelde me er dus aanvankelijk nogal schuldig over.” Het toeval wilde echter dat een van de andere Sisters de zus was van de links-geëngageerde Jan Vrijman, zodat ze hem konden vragen wat hij ervan vond. “Jan zei: je kunt wel gaan, àls je maar veel discussieert met de soldaten daar. Dat hebben we inderdaad gedaan. En we hebben bijvoorbeeld met opzet alleen gedanst met jongens tot aan de rang van sergeant; met de hogere rangen hebben we ons niet ingelaten. We hebben daar niet gewerkt voor de regering, maar voor onze buurjongens - die werden óók maar gestuurd.”

Pas nadat ze hun eerste voorstellingen in Batavia hadden gespeeld, vaak met bal na, kregen de artiesten te horen waarheen hun tournee verder voerde. Ze werden verplaatst in kleine vliegtuigjes en in legervoertuigen. Op de buitenposten troffen ze heel andere situaties aan dan in de gerieflijke hoofdstad. De podia moesten geïmproviseerd worden en vaak was er maar een handjevol soldaten. Maar de liedjes en samenspraakjes die zo'n kleine groep artiesten kwam brengen, vonden een gretig gehoor.

De Spelbrekers hebben de schriftjes bewaard waarin elk optreden door de commandant van de eenheid van een getuigschrift werd voorzien, ter controle door de autoriteiten. Zo schreef kapitein C.G. van Beem op 25 oktober 1947, na een optreden voor tachtig soldaten in Djatake: 'Het gezelschap De Spelbrekers heeft onder zeer ongunstige omstandigheden - door de regenval in een tienmans-tent zonder hulpmiddelen - een uur amusement gebracht zonder weerga. De hele troep heeft in dat ene uur zeker voor een week stof om pret over te maken.' En luitenant-kolonel A. van Lieshout noteerde op 17 november 1947, na een voorstelling voor zestig militairen in Banghalan: 'Goed, afwisselend, beschaafd programma dat de soldaat gedurende een uur volledig boeit.'

Iedereen heeft verhalen te over. Bueno de Mesquita is nog altijd niet vergeten dat het konvooi geruime tijd werd opgehouden “omdat er acht meter slang over de weg kronkelde”. Coby Schreyer maakt gewag van de strenge veiligheidsmaatregelen: “Je mocht niet zomaar een lange wandeling gaan maken, want dan was je niet verzekerd. Zelfs als je even naar de pasar wilde, ging er altijd een sergeant met je mee.” Theo Rekkers vertelt over de verruwing die de Spelbrekers hier en daar aantroffen: “Op een avond stonden we in de buitenlucht te zingen, zoals gebruikelijk zonder microfoon, toen er ergens een hond begon te blaffen. Prompt vroeg de commandant aan ons: zal ik 'm dood laten schieten?” In een triomfantelijk herinneringsboekje dat al in 1947 verscheen over de tournee van de populaire Kilima Hawaiians, staat het verslag van een urenlange tocht naar de buitenpost Pangkalan, waar de auto's bleven steken in de modder en de bagage door koelies verder moest worden gedragen. Maar eind goed al goed: 'Met behulp van wat oude planken, een partij bamboestokken en een stel legerdekens werd in het centrum van het plaatsje een toneel opgericht, dat er werkelijk zijn mag, vooral als het tenslotte met donkergroene palmtakken en met onze nationale driekleur is afgewerkt.' Geen wonder dat Bill Buysman, de leider van het zoetgevooisde ensemble, in datzelfde boekje niets dan lof heeft voor onze jongens: 'We konden met eigen ogen aanschouwen dat, overal waar Nederlands gezag heerste, de toestand volkomen rustig was, terwijl hele troepen uitgehongerde inlanders door de Nederlanders gevoed en verzorgd werden.'

Een vaste klacht betrof de piano's, die vrijwel nergens in goede staat bleken te verkeren. Hier en daar stonden ze, tegen de vraatzucht der witte mieren, met hun vier poten in conservenblikjes vol petroleum. Maar ook dat hielp lang niet altijd. In juni 1947 publiceerde het blad Symphonie & Swing een verslag van de cabaretier Benny Vreden, die op tournee was met een klein ensemble waartoe ook Hetty Blok en de pianist Tonny Schifferstein behoorden: 'Hij moest soms op piano's spelen, waar geen geluid uit te krijgen was. Soms ook misten er een paar snaren of werkten de pedalen niet. Enkele malen namen wij een piano op de truck mee. In de meeste wegen zitten echter gaten van een halve meter, zodat het instrument in de regel ontstemd aankwam.'

Verongelukt

Een enkeling werden alle ontberingen dan ook wel eens te veel. Lachend vertelt Rekkers over een collega die 's avonds als telepaat optrad, maar overdag over de hitte en de hindernissen zei: “Als ik dit allemaal vantevoren had geweten, was ik er niet aan begonnen.”

Twee groepjes zijn in het verre Indië zelfs verongelukt. In januari 1947 stortte op het eilandje Biak een vliegtuigje neer met de conferencier Hans Snel, het dans- en accordeonduo Jossy en Josino, de sneltekenaar John Charley en de beginnende artiest Tonio Manti. Charley's laatste reisbrief, afgedrukt in het blad Muziek, was een passende afsluiting. 'Ik ben blij dat ik dit heb kunnen meemaken', schreef hij, 'en dat ik ook mijn kleine bijdrage heb kunnen leveren aan de taak die mij was opgedragen, ontspanning brengen aan de militairen en burgers in Indië.'

In februari 1948 werd in Bandoeng met militaire eer een groepje klassieke musici en voordrachtskunstenaars (Francien Gerrese, Liesje Evers, Rudi Broer van Dijk en Joh. Gütlich) begraven, dat in een vliegtuigje tegen de bergen was geslagen. De Spelbrekers, wier engagement wegens groot succes met drie maanden was verlengd, waren erbij. 'Het is moeilijk onder woorden te brengen hoe diep dit ons heeft getroffen', schreven ze aan Muziek.

Kok en Rekkers zongen bekende Hollandse liedjes, en hoewel de Novelty Sisters meer gespecialiseerd waren in swing-repertoire, hielden ook zij rekening met de grote behoefte aan liedjes van thuis. Op hun repertoire stond onder meer Het sprookje is uit, een liedje over een voorbije romance. “Daar werd vaak om gejankt”, zegt Coby Schreyer, “want meer dan eens hadden die soldaten van thuis bericht gekregen dat hun vriendin of verloofde er intussen met hun beste vriend vandoor was. Op een keer heb ik Max Tailleur, de leider van ons groepje, gevraagd of dat nummer er niet uit mocht. Nee hoor, zei Max, dat mag niet - dan janken ze maar. Enfin, we hebben na afloop van onze voorstellingen heel wat van dat soort verhalen moeten aanhoren. Die jongens wilden daar graag eens over praten met een vrouw.”

Twee andere zingende zusjes kregen tijdens hun tournee overigens de bijnaam Twee Zalige Nachten; zij stonden er immers om bekend dat ze graag nog wat meer troost boden aan wie daartoe avances maakte.

Maar toen in de loop van 1948 duidelijk werd dat de tweede politionele actie tegen de Indonesiërs een échec was geworden, moest de NIWIN besluiten geen artiesten meer te sturen. De wapenen werden neergelegd, de strijd was verloren. De kerstpakketten en andere traktaties die nog wel naar Indië gingen, waren voortaan uitsluitend bedoeld om het wachten op transport naar huis te verzachten. Niettemin werd in 1950 tevreden de balans van het NIWIN-werk opgemaakt. “Er is goed en vruchtbaar werk tot stand gebracht”, sprak prins Bernhard.

Schadevergoeding

Eén kwestie had nog een nasleep: in juni 1951 berichtten de kranten dat de Hoge Raad een schadevergoeding van 10.000 gulden had toegekend aan Wim Sonneveld. Het college meende dat de NIWIN zich ten onrechte had bemoeid met de samenstelling van diens gezelschap. Maar waar het in die zaak werkelijk over ging, werd nergens vermeld. Een half jaar later werd de NIWIN opgeheven.

“Een onvergetelijke herinnering heb ik aan de Indonesische vrouwen die zich in de rivier stonden te wassen”, zegt Coby Schreyer. “Met ongelooflijke behendigheid wisten ze onder water hun sarong uit te trekken, en na het wassen kamden ze elkaars haren. Als ik dat zag, voelde ik me altijd zó'n logge koe - zo groot en zo blond en zo wit.”

“Alles bij elkaar hebben wij er 297 voorstellingen gespeeld”, stelt Theo Rekkers vast. “Voor de grap werden we hier en daar wel eens frontartiesten genoemd, of frontcabaret. Maar in wezen wáren we dat ook. Hoewel we zelf nooit iets ergs hebben meegemaakt, was er wel degelijk een oorlog gaande. En in een oorlog heb je een front.”

“Dat wij daar hebben gespeeld”, merkt Bueno de Mesquita op, “is ook achteraf niet iets waar ik me voor moet schamen. Al zou je daar tegenwoordig, nu we veel meer weten over Nederlandse bemoeienissen met het buitenland en filmrolletjes die wegraken, misschien heel anders over denken.”