'Niets is zo gevaarlijk als succes'; De Vries wint weer Vermeulenprijs

Vorige week won de componist Klaas de Vries (54) voor de tweede maal de Matthijs Vermeulenprijs, die hem dit najaar wordt uitgereikt. “Zo'n prijs doorbreekt een beetje het gevoel als componist slechts te worden gedoogd.”

BUSSUM, 20 AUG. Vier stroomversnellingen wist hij te doorstaan. Bij de vijfde sloeg hij met zijn kano om en verloor hij zijn bril aan het kolkende water van het Franse bergriviertje. “Dus was ik genoodzaakt vanuit ons vakantieverblijf naar huis te bellen om te vragen of er een andere bril kon worden opgestuurd”, zegt componist Klaas de Vries, merkbaar nagenietend van de herinnering. “Tijdens dat telefoongesprek hoorde ik dat men mij had proberen te bereiken om te vertellen dat ik de Matthijs Vermeulenprijs had gewonnen.”

Het is de tweede keer dat het Amsterdams Fonds voor de Kunst de Matthijs Vermeulenprijs van 15.000 gulden toekent aan Klaas de Vries (54). In 1984 kreeg hij de onderscheiding voor het orkestwerk Discantus; ditmaal valt hem de eer te beurt als waardering voor zijn muziektheatrale werk A King, Riding (1993-95), waarvoor De Vries zelf ook het libretto schreef, en de compositie voor strijkorkest Interludium (1996-97).

De Matthijs Vermeulenprijs, die op 5 november door burgemeester Patijn wordt uitgereikt, is sinds de afschaffing van de prestigieuze, met een ton gedoteerde 3M-Muziekprijs, een van de weinige klassieke-muziekprijzen die er nog te winnen zijn in ons land. Al is het geen echte oeuvreprijs, toch wordt de Matthijs Vermeulenprijs dikwijls als zodanig geïnterpreteerd. Ook Klaas de Vries gaat ervan uit dat met deze toekenning niet alleen beide genoemde werken zijn bekroond, maar eveneens voorafgaande composities. “Ik heb de prijs opgevat als waardering voor mijn recente ontwikkeling.”

Het geringe aantal muziekprijzen spiegelt volgens De Vries de marginale belangstelling voor de hedendaagse gecomponeerde muziek. “Natuurlijk kijk ik wel eens met enige afgunst naar de literatuur die op een veel grotere publieke interesse kan rekenen. Zelfs debutanten worden daar nauwlettend in de gaten gehouden. Ergens in de loop van de negentiende eeuw is het denk ik misgegaan. In de negentiende stond de muziek van tijdgenoten op hetzelfde plan als de literatuur. Denk aan de vooraanstaande posities die Wagner of Brahms bekleedden.

“Tegenwoordig zijn componisten een soort van wetenschappers geworden, die in betrekkelijke anonimiteit werken. Je hebt als componist wel eens het gevoel maatschappelijk slechts gedoogd te worden. Zo'n prijs doorbreekt dat gevoel wel beetje, maar het is toch een verontrustende gedachte. Over die maatschappelijke positie van componist heb ik het vaak met mijn studenten aan het Rotterdams Conservatorium.”

Dat De Vries de Matthijs Vermeulenprijs voor de tweede maal ten deel valt, vindt hij minder bijzonder dan het op het eerste gezicht misschien lijkt. “Het arsenaal van componisten die in aanmerking komen voor zo'n jaarlijks terugkerende prijs is natuurlijk beperkt, al komt er ieder jaar een aantal goede, jonge componisten bij.”

Het effect van de bekroning vindt De Vries moeilijk meetbaar. “Voor het componeren zelf betekent het zo goed als niets. Zo'n onderscheiding streelt natuurlijk je ijdelheid, omdat je beseft dat ook een vakjury waardeert wat jou na aan het hart ligt. Maar van de bevriende Belgische componist Philippe Boesmans weet ik dat niets zo gevaarlijk is als succes. Je moet weer verder. Na zo'n groot werk als A King, Riding had ik het gevoel helemaal opnieuw te moeten beginnen. Dat is misschien geen realiteit, maar zo heb ik dat wel ervaren. Je stapt uit iets dat zijn eigen wetten is gaan formuleren. Je begrijpt aanvankelijk nauwelijks iets van de compositie waar je mee bezig bent. Dan begin je aan een zoektocht - in geval van A King, Riding een drie jaar durende, euforische zoektocht. Dat werkt fysiek verslavend; daarvan moet je afkicken.”

Sindsdien heeft De Vries een Pianoconcert gecomponeerd, dat in oktober in première zal gaan bij Koninklijk Concertgebouworkest onder leiding van Péter Eötvös met Ellen Corver als soliste. Momenteel legt hij de laatste hand aan een compositieopdracht van een festival in Italië en is hij begonnen aan een groot orkestwerk voor het Nationaal Jeugd Orkest, dat in 2000 zal worden gespeeld.

“De toekenning geeft ditmaal een heel ander gevoel dan in 1984, toen ik de prijs voor de eerste maal kreeg. Ik ben zelf vrij kritisch op het toen bekroonde Discantus. De prijs heb ik indertijd daarom eveneens beschouwd als geldig voor meerdere stukken uit die periode. De uitreiking vond plaats tijdens de repetitieperiode van mijn eerste opera, Eréndira. Ik herinner me levendig dat ik dacht 'Oh God, leuk', maar me daarbij meteen afvroeg: 'Hoeveel tijd kost dat?'. Eigenlijk vind ik het leukste aan de prijs het bijbehorende papiertje, het getuigschrift. Dat zal ik zorgvuldig bewaren.”