Franse architect Nouvel bouwt cultuurcentrum van 300 miljoen in Luzern; Een brutale kathedraal aan het water

Het Kultur- und Kongresszentrum Luzern wordt pas in 2000 opgeleverd, maar de concertzaal van het centrum werd deze week geopend met een concert van de Berliner Philharmoniker. Het gebouw is een ontwerp van de Franse architect Jean Nouvel, bekend van onder meer het Institut du Monde Arabe in Parijs.

LUZERN, 20 AUG.De plek boezemt ontzag in. Hoog verrijzen de Alpen boven het Vierwoudstedenmeer. Vanaf elk punt in de historische binnenstad, vanaf elk hotel aan de oever, wordt de blik gezogen naar het punt waar het meer de stad binnendringt. Waar de rondvaartboten naar de oudste kantons aanleggen en de sfeer van de Innerschweiz tastbaar wordt, ontwierp Jean Nouvel een cultuurcentrum met congreszaal, museum, gemeente- en concertzaal. Driehonder meter verderop ligt de houten Kappellbrücke, een van de beroemdste beschermde stadsgezichten van Europa. Nouvel heeft de symbolische dimensie van de plaats weten te vertalen in een gebouw dat brutaal en uitdagend is, en juist daarom in harmonie met de dominante omgeving.

Volgens de Franse architect heeft het KKL de functie van een kathedraal in vroeger eeuwen. De glazen gevel moet de Luzerners en toeristen binnenloodsen naar de plaats van ontmoeting en samenkomst. Eenmaal in het gebouw, en vooral op het overdekte dakterras, heeft de bezoeker een panoramisch uitzicht van 250 graden op stad en meer. Maar Nouvel laat niet na zijn eigen kaders te plaatsen. Niet voor niets vergelijkt hij zich met een filmregisseur. Want kerktorens en bergtoppen worden door de overkapping, die als een mes door het landschap snijdt, van hun pieken ontdaan. Op dezelfde wijze zijn in de foyer van de concertzaal uitsparingen in de gevel gemaakt: wie naar buiten kijkt, ziet de binnenstad in horizontale en verticale ansichtkaarten. De namen van de sponsors, die in de ramen zijn gegraveerd, liggen als een extra laag over de plaatjes.

Niet alleen door het integrale ontwerp, met zijn spiegelende dak ter grootte van twee voetbalvelden, is Nouvels project bijzonder. Ook het gemeentelijk besluitvormingsproces, dat de Luzerners via twee referenda warm kreeg voor een duur (ruim driehonderd miljoen gulden) en prestigieus centrum, was voorbeeldig. Zelfs de sponsors overtroffen zichzelf en brachten in plaats van de voorziene 35 miljoen 50 miljoen franken bijeen. Een even strenge als creatieve projectleider hield de partijen aan de deadline van 18 augustus 1998 - het begin van de 60ste aflevering van de Internationale Musikfestwochen Luzern. Tijdens een rondleiding overtroffen Nouvel en zijn akoestisch expert Russell Johns elkaar in lof aan het adres van het Zwitserse vakmanschap.

Nouvels oorspronkelijk plan was een concertzaal in het water, maar dat werd door de gemeente, voor wie de oevers van het meer onaantastbaar zijn, verboden. De architect gooide de opdracht radicaal om en liet het water het gebouw van alle kanten binnendringen en het dak zover mogelijk over het water heen steken. Dat de bouwlocatie in vroeger eeuwen een scheepswerf was, kwam goed uit. De drie gebouwen onder een dak, concertzaal, museum en congrescentrum, worden gescheiden door brede sloten van 80 meter diep, alsof er elk moment een schip van stapel kan lopen. Water wordt door het centrum rondgepompt. De wasbekkens in de schitterende toiletruimtes bestaan uit een meterslange matglazen plaat, waarover het water uit de kranen een esthetisch verantwoorde weg aflegt.

De concertzaal ligt als een gigantisch houten muziekinstrument onder het spiegeldak. Het blond-rode hout contrasteert met het bordeauxrood en donkerblauw van de foyerwanden. De toegang tot de zaal is geheimzinnig. Een aardedonkere, smalle trap voert naar het heilige der heiligen, in de woorden van de architect. Ook in de zaal had Nouvel graag de mahoniehouten kleur van muziekinstrumenten willen laten domineren, maar toen hij bij musici weerzin bespeurde, gooide hij ook hier zijn programma om. Wanden zijn gemaakt van witte gipsplaten, met een ingenieus graatpatroon. Bij binnenkomst is de belichting blauw. Als de musici het podium betreden, wordt het interieur honinggeel en worden de gipsen wanden opengezet naar de echokamers die zich als loges achter de balkons bevinden. Rood licht stroomt uit die ruimtes de zaal binnen; de fluwelen draperieën die zichtbaar worden zijn haast installaties.

Zo gaan akoestiek en architectuur samen. Bij kleinere bezettingen blijven de echokamers dicht, verschuiven de panelen van het bewegend plafond en krijgt de zaal een ander aanzicht. Akoestisch expert Russell Johnson hield de ideale afmetingen van de 19e eeuwse schoenendoos aan. Volgens het model van Concertgebouw en Musikverein in Wenen kan de zaal ruim 1800 bezoekers herbergen. Als middelpunt van de Musikwochen moet de concertzaal aan de eisen van de beste orkesten ter wereld voldoen. Begin september neemt het Koninklijk Concertgebouworkest de proef op de som.