Een bronzen tropenpet

Morgen, op vrijdag 21 augustus, barst in Jorwerd het jaarlijkse spektakel van het 'Iepenloftspul' los. Vorige week waren de ruim 8.000 kaarten, goed voor tien voorstellingen, in enkele uren uitverkocht. Zo ging het de afgelopen jaren steeds: kennelijk is het Friestalige openluchtspel uitgegroeid tot een van de paradepaardjes van de Friese cultuur.

Het succes van Geert Maks 'Hoe God verdween uit Jorwerd' zorgde er voor dat de naam van dit Friese dorp een vertrouwde klank kreeg. Daardoor kwam ook de plaatselijke dominee Rienk Klooster in de schijnwerpers te staan.

In krant en weekblad liet Klooster kritische geluiden over het dorpsportret van Geert Mak horen. De titel van het boek is natuurlijk een schop tegen het been van iedereen die Gods woord op aarde wil verbreiden. Nee, de dominee laat er geen twijfel over bestaan dat hij Jorwerd liever verbindt met Jan Slauerhoff dan met Geert Mak.

Toen de vader van Mak nog geboren moest worden, maakte Slauerhoff al zijn opwachting in Jorwerd. En wel in dezelfde pastorie waar Klooster nu woont. Het waren de mooie dochters van de toenmalige dominee Cornelis Hille Ris Lambers die de jonge Jan in Leeuwarden op de fiets deden stappen om de lange winderige weg door de weiden van de Greidhoek af te leggen. “Jorwerd heeft in alle eeuwen slechts één voetnoot in de geschiedenis weten te verwerven”, schrijft Mak. “Een beroemde dichter annex scheepsarts liep er een blauwtje bij de domineesdochter.”

Dominee Klooster krijgt deze week zijn zin. Dankzij het openluchtspel 'Slauerhoff & Jorwerd' valt dit keer alle nadruk op de relatie tussen de dichter en zijn dorp. Weliswaar komt Mak, evenals Klooster, in het stuk voor, maar zij vervullen slechts een bijrol.

Hoe ik dit alles weet? Ha! Daar is niets geheimzinnigs aan - ik ben de schrijver van het stuk. Daardoor weet ik dat Klooster Mak op een gegeven moment toevoegt dat er vele ellendige boektitels zijn bedacht, maar dat die van Mak werkelijk alles slaat. Bovendien, iedereen heeft wel eens een inzinking, en dat de Here een ijzersterke comeback zou kunnen maken, wellicht, nee juist in Jorwerd, is niet ondenkbaar, aldus de dominee.

Terzijde van het spektakel heeft nog een onthulling plaats. Om de Jorwerders blijvend te herinneren aan Slauerhoff, wiens honderdste geboortedag dit jaar wordt gevierd, krijgen zij van het Iepenloftspul een pet aangeboden. Een bronzen pet, die aan de muur van de pastorie komt te hangen. Het oorspronkelijke model is afkomstig uit het bezit van Ton Pronker, achterneef van de dichter, Vlielander en wereldzeiler. Het gaat om een witte pet, passend bij het eveneens witte officiersuniform dat de scheepsarts in de tropen droeg. Een pet die in het echt natuurlijk nooit in Jorwerd is geweest, want het varende leven van Slauerhoff zou pas later beginnen.

De pet is eerst in was gegoten door Douwe de Bilt, een van de hoofdrolspelers in het stuk. Hij speelt niet de rol van Slauerhoff, maar van de Dorpsgeest. Dat is een eigenaardige figuur, die zich gaande het verhaal steeds meer tot een tegenspeler van de dichter ontpopt. Waar de laatste zich niet wil binden ('Ik zal het geluk liever zoeken achter de einder, in de verte, in den blinde'), daar stelt de Dorpsgeest zich op het standpunt dat een mens geworteld moet zijn in een bepaalde gemeenschap. In welke vreemde havenstad Slauerhoff zich ook bevindt, steeds probeert de Dorpsgeest hem ervan te overtuigen dat hij terug moet naar de pastorie in Jorwerd. Tevergeefs.

Toch eist de Dorpsgeest ten slotte, bij de herdenking van het honderdste geboortejaar, die ook in het stuk een rol speelt, Slauerhoff voor Jorwerd op. Symbolisch is het dan ook dat juist hij - in de persoon van Douwe de Bildt - de scheepspet van Slauerhoff aan de muur van de pastorie hangt.